Slachtoffer van de techniek

Veel belangstelling voor de oorlog in Bosnië hadden de bewoners van Belgrado begin jaren '90 niet. Maar één ding wisten ze wel: het was Miloševic die de oorlog orkestreerde. `Het is een merkwaardige sensatie om juist hem nu net zo lang als ik wil te kunnen observeren.'

Voor de tweede keer in mijn leven kijk ik hem recht in de ogen, ditmaal met een wand van kogelvrij glas tussen ons in. Het voelt alsof ik voor een aquarium sta: ik zie wat er gebeurt, kan alles via een koptelefoon in drie talen (Engels, Frans, Servokroatisch) volgen, maar de wereld achter het glas heeft iets onaantastbaars. De getuige, voormalig VN-afgezant Charles Kirudja, zit met zijn rug naar het publiek, de drie rechters met hun rode toga's daar recht tegenover. De rechters, de vrienden van het hof, de aanklager en Miloševic zelf beschikken over een laptop, stapels met uitgeprinte verhoren, een overheadprojector en desgewenst kan iets worden opgezocht in de vele tientallen ordners die op verrijdbare dossierkasten in het gelid staan.

Miloševic zit helemaal aan de linkerkant, naast hem een getatoeëerde bewaker, mini-koptelefoontje in het oor, een paar handboeien bungelen opzichtig aan zijn riem. De eerste tien minuten maakt hij zijn nagels schoon, later begint hij ze een voor een af te bijten. Na een half uurtje neemt een collega zijn plaats in, hun aandacht mag niet verslappen.

Dag in dag uit sleept de zaak zich zo voort, als Miloševic tenminste niet ziek is, wat de laatste weken steeds vaker het geval is. Vooral zijn hoge bloeddruk speelt hem parten. De voormalige Servische president lijkt vandaag in een goed humeur te steken. Af en toe werpt hij een cynische blik op zijn ondervragers, maar soms kan er zelfs een lachje af. Gedurende de zitting onderbreekt rechter May hem herhaalde malen met de opmerking ,,Mister Miloševic, let's not waste our time'', als de zichzelf verdedigende verdachte terugvalt op zijn specialiteit: het stellen van niet-relevante vragen.

Ik staar naar de man, die, toen onze blikken elkaar voor de eerste keer kruisten, nog president van Servië was, maar die anderhalf jaar geleden geheel onvrijwillig verhuisde naar de Pompstationsweg 32 te Scheveningen waar hij terechtstaat voor misdaden tegen de menselijkheid, genocide dan wel medeplichtigheid aan genocide, marteling en vele andere misdaden. Mijn eerste confrontatie met Miloševic had ik zeven jaar geleden, tijdens hopeloos mislukte vredesonderhandelingen in Genève, waarbij alle toenmalige leiders uit het voormalige Joegoslavië aanwezig waren. Het is opvallend hoe weinig het uiterlijk van de 61-jarige Miloševic sindsdien is veranderd, en ook zijn wilskracht lijkt vooralsnog ongebroken. Hij maakt aantekeningen, bladert driftig in een van de tientallen dossiers die hij voor zich op tafel heeft liggen. Etaleerde hij de eerste maanden van zijn proces vooral zijn minachting voor het tribunaal, langzamerhand lijkt het alsof hij zo gewend is geraakt aan de gang van zaken dat hij niet meer anders zou willen; hij is onderdeel geworden van een ritueel van vragen en antwoorden, een wereld van onstuitbare opsommingen van data en namen.

Getuige Kirudja ontmoette Miloševic een keer of zes. ,,Wanneer je met leiders op dit niveau spreekt, zijn ze altijd vergezeld van assistenten'', zegt hij. ,,Maar bij Miloševic was dat niet zo. Hij had geen grote delegaties nodig, want hij was zelf uitzonderlijk goed op de hoogte, zelfs van de kleinste details.''

Miloševic neemt een slok water en gaat op het puntje van zijn stoel zitten. Kirudja vertelt rechter May hoe hij van de Bosnisch-Servische autoriteiten lijsten overhandigd had gekregen met namen van moslims en andere niet-Serviërs die vrijwillig zouden hebben besloten het land te verlaten. ,,Die lijsten waren keurig uitgeprint en voorzien van alle mogelijke details'', zegt Kirudja. ,,Ik was geshockeerd. Het deed me denken aan de Tweede Wereldoorlog: mensen heel nauwgezet en goed geadministreerd deporteren. Want dat was het, het betrof hier geen vrijwillig vertrek.'' Op de overheadprojector verschijnt de transcriptie van getuigenverhoor 3.710. ,,Nee, niet bladzijde 23, maar de pagina's 26 en 27'', zegt rechter May. Miloševic kijkt smalend.

Zerken

Ik moet denken aan het telefoongesprek dat ik de avond tevoren voerde met Hamdo Berberovic, een overlevende van Omarska en twee andere concentratiekampen, over wiens familie ik een boek schreef. Ik ontmoette hem in 1993, toen hij op uitnodiging van de Nederlandse staat in een opvangcentrum in Haarlem was ondergebracht. Hij woont nu met zijn vrouw in een Brabants dorpje. De familie Berberovic is definitief uiteengevallen: Hamdo's broer Senad en een zuster wonen ook met hun gezinnen in Nederland, een andere broer en een zuster in Zweden, de oudste zuster in Oostenrijk.

Begin deze week is Hamdo's vader overleden. Hij zal in zijn geboortedorp Ljubija worden begraven. Toen ik daar zelf was in 1994 – op zoek naar Hamdo's 90-jarige oma en tante die als enige van de familie tot dan toe nog niet waren verdreven – lag de islamitische begraafplaats vol brokstukken van de moskee die door Serviërs was opgeblazen. Nu zijn de zerken weer overeind gezet en er is een begin gemaakt met de bouw van een nieuwe moskee. De afgelopen jaren hebben sommige van de Serviërs die in de huizen van uitgezette moslims waren getrokken, het dorp verlaten. Enkele tientallen moslims, vooral bejaarden zoals Hamdo's ouders, hebben het erop gewaagd en zijn, na een jarenlang verblijf elders in het voormalige Joegoslavië of in het buitenland, teruggekeerd naar Ljubija. Hamdo's ouders konden zelfs weer terecht in hun eigen huis, maar zijn eigen appartement wordt nog steeds bewoond door Serviërs.Toen hij en zijn vrouw Nera na vijf jaar de Nederlandse nationaliteit verkregen, gingen ze diezelfde zomer voor het eerst terug en brachten ze een ongemakkelijk bezoek aan de Serviërs die in hun huis woonden. Hamdo gaf het verarmde gezin een handvol Duitse marken. ,,Een cadeau komt soms harder aan dan een klap'', liet hij toen lachend weten. ,,Bovendien waren die mensen ook op de vlucht geslagen. En je weet: ik koester geen haat tegen Serviërs omdat ze Serviërs zijn, ik zal alleen degenen met bloed aan hun handen nooit vergeven.''

Zelf was ik in Ljubija en de nabijgelegen stad Prijedor. Het was 1994 en de sfeer in de stad was om te snijden. Veel van de duizenden Bosnische doden zijn in dat deel van Bosnië gevallen, daar waren in 1992 ook de meest beruchte concentratiekampen: Omarska, Keraterm, Trnopolje.

In een huurauto was ik met mijn Servische tolk Vesna vanuit Belgrado naar het westelijk deel van de `Republika Srpska' gereden. Prijedor was grotendeels etnisch gezuiverd, op enkele honderden mensen na, merendeels vrouwen, kinderen en bejaarden. Ik deelde met Vesna een kamer in Hotel Balkan, met uitzicht op het Leninplein, het hart van de stad. Tot onze ontzetting had de kamer geen gordijnen, zodat we pal in het zicht lagen van de Arkan-gangsters die de stad in handen hadden en van wie er altijd wel enkele op het plein rondhingen. 's Nachts hoorden we schoten en iedere ochtend vernamen we hoeveel huizen er die nacht in brand waren gestoken, hoeveel mensen er uit hun huis waren gesleept of vermoord.

Officieel hadden we alleen toestemming om over ,,de Servische humanitaire problemen'' te schrijven, maar ons eigenlijke doel waren verboden bezoeken aan Hamdo's tante en oom, en zijn grootmoeder, die als laatste moslims in het dorp waren achtergebleven. Via talloze omwegen wisten we Prijedor uit te komen, de checkpoints te omzeilen en Ljubija te bereiken.

,,Het zal gaan zoals het altijd is gegaan'', zei Hamdo's oma. ,,Iedere generatie voert zijn eigen oorlog en de laatste oorlog (dit was haar vijfde) is altijd de ergste.'' Enkele maanden later zou ook zij worden afgevoerd, in de open laadbak van een volgepakte vrachtwagen. Ze zou het huis waarin ze haar hele leven had gewoond, niet meer terugzien.

Ik reed terug langs de staketsels van afgebrande huizen in het late zonlicht, de angstaanjagende maar betoverende schoonheid van een etnisch gezuiverd landschap. In Belgrado voelde ik mijn afkeer. Hier was niets van de oorlog te merken, hier draaiden de pizzeria's overuren, hier stonden files en deden de mensen ongestoord inkopen in het door Arkan gebouwde luxe winkelcentrum in het centrum van de stad. Voor de oorlog in Bosnië was weinig belangstelling, veel van de Serviërs die ik sprak beschouwden hun Bosnische volksgenoten zonder aarzeling als ,,primitieve boeren''. Maar ik wist en zij wisten wie op de achtergrond de oorlog orkestreerde en het is een merkwaardige sensatie om juist hem nu net zo lang als ik wil te kunnen observeren.

Weeë lucht

De oorlogen in het voormalige Joegoslavië hadden het voordeel van de nabijheid en de vertrouwdheid van het gebied. Iedere zichzelf respecterende regionale krant in Europa had er wel een verslaggever rondlopen. Voor velen was het de eerste confrontatie met een oorlog en die onervarenheid was er mede debet aan dat er in Kroatië en Bosnië meer journalisten om het leven kwamen dan in Vietnam.

Slobodan Miloševic is een slachtoffer van de techniek. Voor het eerst beschikten verslaggevers over satelliettelefoons, laptopcomputers met modem en schotelantennes; de beschietingen op Sarajevo werden live uitgezonden. De oorlogen in het voormalige Joegoslavië behoren tot de best gedocumenteerde uit de geschiedenis, mede ook door de instelling van het tribunaal, dat al begon te functioneren toen de oorlog nog in volle gang was.

Nooit zal ik de weeë lucht vergeten van het massagraf waar Finse experts op hun knieën, met tandenborstels heel voorzichtig de aarde wegschuivend, naar menselijke resten zochten. Het was een onbewolkte zomerdag, over de karrensporen in het bos passeerden boeren op tractoren en ik was jarig. Nog altijd heb ik het beeld van het ziekenhuis in Split op mijn netvlies, vier verdiepingen vol Bosnische kinderen met afgerukte ledematen, bloedsporen in de gangen.

Gisteren bekeek ik mijn tastbare overblijfsels van de oorlog: een mapje met mijn reportages voor deze krant en een collectie oorlogsgeld met als topstukken de serie kartonnen kaartjes uit Travnik waarop één, twee of drie D-mark staat gedrukt en een biljet van 50 miljard Servische dinar. Gekregen van de moeder van Jovan de sluipschutter, die op de bank een trui zat te breien en klaagde over de hoge prijzen, terwijl haar zoon uitlegde dat je, nadat je hebt geschoten, altijd even moest wachten. ,,Als hij nog leeft, schiet je nooit een tweede keer. Je wacht totdat ze hem proberen weg te halen, dat geeft je de kans er nog eens drie of vier extra te raken.''

Die sluipschutter loopt ongetwijfeld nog vrij rond, zoals heel veel van zijn collega's. En dat geldt helaas ook nog steeds voor de twee leiders die het meest direct betrokken waren bij genocide en andere oorlogsmisdaden: generaal Ratko Mladic en Radovan Karadzic, psychiater, dichter, voormalig president van de Republika Srpska en megalomaan. Hun arrestatie zou bovendien hoogstwaarschijnlijk de bewijsvoering in de zaak Miloševic in een stroomversnelling brengen, al lijkt de kans dat ze alsnog zullen worden opgepakt steeds kleiner te worden.

Misschien is de wereld daarvoor na 11 september 2002 wel te veel veranderd.

Dit is de zesde aflevering van een serie artikelen van Nederlandstalige schrijvers die op verzoek van NRC Handelsblad het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag bijwonen. Alfred van Cleef is auteur van `De verloren wereld van de familie Berberovic'. Onlangs verscheen zijn eerste roman `Verlangen'.