Slaag en slagen

`Wat denk jij van dat verhaal?' Gespannen wachtte ik het antwoord van Max Kuperus op Henk van Bueren's vraag af. Van Bueren's studeerkamer keek uit op een prachtig stuk van het Servaas Bolwerk, maar daar had ik geen oog voor. Net twintig jaar was ik, en mijn eerste voordracht zat erop. Zo'n studentencolloquium moest beoordeeld worden. Omdat Max mijn onderzoekbegeleider was, mocht hij het eerste oordeel vellen. Kuperus keek op van zijn aantekeningen, en zei: `Erg goed.' Ik begon weer adem te halen. Toen keek professor Henk mij aan met dat sarcastische en toch vrolijke lachje dat zijn handelsmerk is. `Mmmm. Ja. Jaja. Maar wát een vlerk.'

De rest van het beoordelingsgesprek staat me niet meer zo helder voor de geest, beneveld als die was door de bloedstuwing in mijn hoofd. Ik kreeg een luxueus cijfer; het bordgebruik had ik afgekeken van Minnaert en Hooijman, en de rest - nu ja, je moet wel hersens van stopverf hebben wil je niets opsteken van een paar weken in de bibliotheek van Sonnenborgh. Maar daar ging het niet om; het onderwerp van de beoordeling was mijn houding. Het kan zijn dat je meer weet dan elke toehoorder, 't kan zelfs zijn dat je meer weet dan alle toehoorders samen; ze laten je immers niet voor niets een verhaal houden. Maar dat geeft je niet het recht om je publiek te schofferen.

Tot zover de eerste draai om mijn oren, een van de vele soorten tuchtiging die Ehrenfest in gedachten had toen hij aan Pauli zijn beroemde brief over Casimir schreef: Er kann schon etwas, aber er braucht noch Prügel. De scherpste afstraffingen gaan niet over sprekersmanieren, maar over echte fouten in het werk. Dan vallen er klappen, en elke wetenschapper heeft wel de herinnering aan zo'n pak slaag in het hoofd. Voor ik kan vertellen hoe dat bij mij ging, moet ik het bijbehorende onderzoek even uitleggen.

Pak je iMac, start Netscape en laat Google eens kijken onder images of nearby spiral galaxies. Dat zijn sterrenstelsels met een spiraalvorm, zoals onze Melkweg. Het centrum van zulke stelsels draait sneller dan de buitendelen, zoals de planeten rondom de Zon. Hoe kan zo'n spiraal blijven bestaan, zonder te worden opgewonden als een horlogeveer? Het antwoord: die spiralen zijn geen vaste structuren maar golven, een soort spiraalvormige deining, gedragen door de onderliggende honderd miljard sterren in zo'n stelsel. De onderzoekers Lin en Shu vonden een wiskundige beschrijving voor zwakke (lineaire) golven. Alles leek fraai, totdat Alar Toomre, een wiskundige van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), er een bom onder legde. Hij bewees dat de spiraalgolven zich toch opwikkelen, en verdwijnen rondom speciale zones, de resonanties. 't Komt maar zelden voor dat een wetenschappelijk artikel zo verwoestend werkt: die mooie golftheorie kon de prullenbak in.

Er moest dus iets zijn dat die spiralen op gang houdt, maar wat? Later zou Toomre zelf het antwoord geven, maar dat was er toen nog niet. Ik was niet zo tuk op lineaire golven, en zocht het in het omgekeerde door te kijken naar stevig ontwikkelde, `niet-lineaire' golven, waarin de verloren energie door de zwaartekracht wordt vergoed. Ik vroeg mij af welke vorm zo'n vette spiraal moest hebben om vrij te zijn van torsie, en dus niet werd verwrongen door zijn eigen gravitatie. Ik ontdekte dat zo'n vorm bestaat: de logaritmische spiraal, precies die vorm welke volgens de waarnemers het meeste voorkomt. Het artikel ging naar Astronomy & Astrophysics en ik ging op sollicitatieronde door de VS.

Juist voor mijn vertrek kreeg ik van A&A een beoordelingsrapport waar de gal vanaf spatte. Alice in Wonderland, schreef de referee in zijn rapport, Jabberwocky, kletskoek! Ik was zwaar overstuur maar niet overtuigd, en ging op reis.

Ook op MIT zou ik een verhaal houden, en het sprak vanzelf dat ik Toomre – wiens werk ik zeer bewonderde – ging opzoeken. Alar bleek een grote, wat gezette man, met een kaal hoofd en een bril zonder montuur, een glinstering in de glazen en in zijn ogen. Met zijn stem als een misthoorn en een lach als een vat buskruit, leek hij meer de kapitein van een zeesleper dan een theoretisch sterrenkundige met een gave voor mathematische fysica.

Ik legde hem mijn probleem voor, en als Socrates liet hij mij zelf ontdekken wat er fout was. De Witz van mijn aanpak, het idee van een torsievrije spiraal die een dissipatieve structuur moest zijn, was goed. De fout zat hem erin dat ik niet had bewezen dat de in de golf verloren gegane energie op het juiste moment werd geleverd. Het is als een slingeruurwerk: als de energie van de wrijving in het mechaniek niet wordt goedgemaakt door een duwtje op precies het juiste moment in de zwaai van de slinger, valt de klok stil.

En ik viel stil boven de volgekrabbelde servetten. Het huilen stond me nader dan het lachen, banaal, maar toch. Ik vroeg Toomre, wie mijn anonieme kwelgeest kon zijn, en hij beloofde me dat hij zou proberen er achter te komen wie de referee was die mij zo'n ongezouten afkraker had bezorgd. `Gooi het niet weg, gooi het in een la', zei hij toen ik wegging. `Een idee heeft negen levens.'

Mijn voordracht was gebouwd rondom dat artikel. Wat te doen? Bluffen kon nog: niet iedereen was zo slim als Toomre, en je kunt een verhaal best zo geven dat vrijwel niemand de zwakte ziet. Wat zouden mijn leermeesters hebben gedaan? Van Bueren, Kuperus, Van de Hulst, Oort, of Rees zouden nooit met trucs en rookgordijnen hebben gewerkt. Dus 't was niet eens een kwestie van een beslissing nemen; bijna vanzelfsprekend smeedde ik mijn colloquium om. De Witz bleef er wel in, maar de afmaker moest vervallen.

Wie zo'n opdonder lekker vindt, zoeke een psychiater of een uitgever. Wie ervoor vlucht, zoeke heil buiten de natuurkunde. Wie er tegen kan, mag misschien blijven, en kent de belangrijkste regels van het spel. Alleen zieke geesten, of mensen met een ziekelijke overmoed, gaan in de fout. De chef-onderzoek van Bell Labs vloog naar talloze conferenties om op te hakken over de neppublicaties van zijn beschermeling: te dom, te beperkt, en te weinig slaag gehad.

Wie bij Prügel denkt aan een paar oude heertjes die zich verlustigen bij het idee een knaap af te ranselen, heeft last van een overdosis Gerard Kornelis van het Reve. Ook Ehrenfest en Pauli zelf konden klop krijgen, zelfs van een student, vlerk of niet. Ich kann schon etwas, aber...! In die zin staat niets over leeftijd, aanzien, publicaties of prijzen. Wie een onderzoeksgroep leidt, moet die zo bouwen dat de tijgerwelpjes durven bijten, willen bijten. Ook melktandjes zijn echt, dus heb ik slechts minachting voor de dode zielen die denken dat je `kwaliteit' op onderzoek kunt stempelen zoals de t.h.t.-datum op een rookworst, door strikte toepassing van ambtelijke regels, citatie-indices en `verslaglegging'. Tenslotte, als je volhoudt, komt het leerzame moment waarop je zelf ontdekt dat iets waaraan je lang hebt gewerkt, niet klopt. Dan pas blijkt of die slaag ergens goed voor geweest is.

En ik? Ik heb geluk gehad. Toen ik van mijn reis door de VS terugkwam, lagen er drie belangrijke stukken bij de post: twee brieven met aanbiedingen voor een baan, en een dik pak waarin een boek. Het was The Annotated Alice, met de volledige tekst van Carroll, de tekeningen van Tenniel, en annotaties van Martin Gardner. Op het titelblad stond in grote letters de opdracht: From your nasty old referee. Was getekend: Alar Toomre.