Pietje Bell is nog geen Cor van Hout

Voor- en tegenstanders van repressie moeten zich ontdoen van hun ideologische veren en zich laten leiden door de vraag welke vormen van repressie werken teneinde een dam op te werpen tegen onveiligheidsgevoelens. Het antwoord luidt: zinvolle repressie, meent Ybo Buruma.

Een paar jaar geleden had ik als politierechter voor het eerst een hyperbewust crimineeltje van achttien tegenover me. Hij zei: ,,Ik heb slechte vrienden en ik ben een beetje hyperactief. Als de politie me eerder had gepakt, zou ik hier nu niet staan.''

Rechters horen dat steeds vaker. Het is natuurlijk lachwekkend en je kunt er de hulpverlenerstaal van de televisie in horen, maar ik geloof dat de jongen oprecht was. Hij had zichzelf aangepraat dat hij niet kan helpen wat hij doet: slachtoffer van zijn omstandigheden en van zijn falende overheid.

Dat slachtofferdenken is gemeengoed geworden. Ook al die burgers die vinden dat dat hyperbewuste crimineeltje zelf verantwoordelijk is en hard aangepakt moet worden, maken zich er schuldig aan. Wij voelen ons onveilig, wij zijn slachtoffer of op z'n minst potentieel slachtoffer. De rechtsstaat is er niet langer om ons tegen de overheid te beschermen, het gaat nu om de bescherming van ons tegen de ander, onze medeburger. Het nu demissionaire kabinet heeft goed aangevoeld dat het veiligheid hoog op de agenda moest zetten.

Critici van deze ontwikkeling wijzen graag op de cijfers. Er valt zeer goed te beargumenteren dat Nederland feitelijk niet onveiliger is geworden. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is zelfs het onveiligheidsgevoel niet beduidend groter geworden. En toch. Het is opvallend hoe die harde cijfers emotioneel ingekleurd worden. Een voorbeeld: volgens tellingen van de politie is het aantal moorden en gewelddadige doden in de vier grote steden opnieuw gedaald. Dit feit wordt tegenwoordig eerder gebruikt in een verhaal dat dit nog niets zegt over meer alledaags geweld, dan in een verhaal waarin wordt beweerd dat het met de onveiligheid wel meevalt.

Hans Boutellier heeft in zijn boek De veiligheidsutopie een interessante poging gedaan deze vooringenomenheid te verklaren. Boutellier stelt dat wij zoveel mogelijk vrijheid willen beleven en tegelijkertijd van de overheid eisen dat deze ons tegen de vrijheid van de ander beschermt. Ik lees er een beschrijving van collectief narcisme in. We combineren grootheidswaan – `ik heb overal recht op' – met gebrek aan zelfkritiek – `jij moet mij niet dissen'. En de overheid is de therapeut waarop we boosworden.

Bovendien zijn er feitelijke factoren die voeding geven aan onze preoccupatie met veiligheid. Er is een verlies aan sociale cohesie: we joggen alleen en zitten niet meer samen in de kerk. De dreiging van rampen en terrorisme werkt ook door in onze gevoelens over veiligheid.

Tegelijkertijd heeft het rechtsapparaat zijn kwetsbare kanten getoond. Dat werkt als een katalysator door in onze onveiligheidsgevoelens. Wie wil, vindt bewijsmateriaal voor het idee dat politie en justitie onze behoefte aan veiligheid niet beantwoorden – sterker, niet optreden tegen criminaliteit. Denk aan in de media breed uitgemeten zaken waarin echte boeven wegens vormfouten vrijuit gingen. Die praktijk is in 1995 reeds wettelijk gecorrigeerd, maar nog steeds menen veel mensen dat rechters voortdurend criminelen laten lopen omdat de politie een juridisch detail over het hoofd had gezien. Of denk aan de bewuste keuze van de politie om niet tegen bepaalde lichte overtredingen op te treden. En dat zijn juist die overtredingen die wij als potentiële slachtoffers zien.

Wat de precieze verklaring uiteindelijk ook moge zijn: de gevoelens van onveiligheid bestaan. Of je het er nu mee eens of oneens bent: ze zijn een politiek feit. Punt uit.

Dat onveilige gevoel van de burger is in het afgelopen jaar politiek vertaald in een toenemende roep om en voorstellen voor repressieve maatregelen. Hogere straffen, meer blauw op straat, een algemene identificatieplicht, het aanpakken van het recht op privacy. Het zijn allemaal ideeën die onder feel good law te scharen zijn: het recht wordt gebruikt om de burger te behagen.

Het gaat dan wel om de burger als potentieel slachtoffer. Het gegeven dat wij ook verdachte of dader kunnen zijn, lijkt niet meer van belang. Feyenoord-voorzitter Jorien van den Herik realiseerde zich dat onlangs toen hij zich opwond over de jarenlange vervolging door justitie en de last die dat had gelegd op zijn privé-leven. Het is mogelijk dat u morgen doorrijdt na een aanrijding, of dat uw zoon betrokken raakt bij een vechtpartij. U wilt dan graag een fatsoenlijke en rechtvaardige behandeling. Dit werpt een ander licht op de door voorstanders van repressie graag gebruikte boutade dat `de burger geen bezwaar tegen repressieve maatregelen kan hebben, als hij niets te verbergen heeft'.

De politiek-maatschappelijke roep om repressie heeft een te verwachten tegenreactie gekregen. In een debat over de kwaliteit van de rechtsstaat kan het er niet alleen om gaan dat de overheid de ene burger beschermt tegen de andere, maar gaat het er ook om de burger tegen fout overheidsoptreden te beschermen. Democratie en rechtsstaat lijken steeds meer op gespannen voet staan. Het ontstane debat tussen voor- en tegenstanders van repressie wordt sterk gehinderd door politiek-historische sentimenten. Links heeft nog last van een verleden waarin men in een kramp schoot bij de term `repressie' en is van de weeromstuit tegenwoordig bang voor soft te worden aangezien.

Voorbeeld: als uw zoon van 17 seks bedrijft met een meisje van 15, pleegt hij sinds afgelopen najaar een strafbaar feit. Ik heb er geen linkse politicus over gehoord. Rechts wil nog steeds afrekenen met de softe jaren '70. Zij kunnen niet erkennen dat in de jaren negentig die afrekening, met name in de welzijnssector, reeds heeft plaatsgehad en dat dat eerder tot meer dan minder criminaliteit heeft geleid.

Het antwoord op de hierboven beschreven kwestie heet volgens mij zinvolle repressie. Verharding van beleid moet niet blijven steken in pure wraak voor elke wetsovertreding – dat is niet alleen onbeschaafd, maar ook duur. Zinvolle repressie betekent uiteindelijk preventie. Harder optreden – en dus een grotere inbreuk op de individuele vrijheid van mensen – moet gelegitimeerd worden door een grote kans op succes. Voor- en tegenstanders van repressie moeten hun ideologische veren van zich afschudden en zich laten leiden door de vraag welke vormen van repressie werken. Zowel bij de vroegtijdige aanpak, bijvoorbeeld een mogelijke identificatieplicht, als bij het opleggen van straffen. Veel meer dan nu dient wetenschappelijke kennis over de kwaliteit van bepaald beleid de basis te zijn.

Het is eigenlijk verbluffend hoeveel we op dit gebied weten. En het is bijna even verbluffend hoe weinig we er gebruik van maken. Collega Hans Crombag schreef enkele jaren geleden al dat het rechtsapparaat zich niet langer kan permitteren om de empirische wetenschap buiten haar deur te houden. Ook het klassieke argument van veel juristen dat sociale wetenschappelijk onderzoek tegenstrijdige uitkomsten oplevert, is steeds minder houdbaar.

Wij weten dat als het gaat om de kwaliteit van straffen dat een nachtje in de cel ter afschrikking of survivaltochten voor jongeren niet werken. We weten dat verhoogde surveillance in de buurt van een verdachte of surveillance zonder helder doel niet werkt, we weten dat buurtwachten niet werken. We weten dat intensieve surveillance bij bewezen gevaarlijke plekken wel werkt, we weten dat het opsluiten van veelplegers werkt, we weten dat gemeenschappelijke therapie voor drugscriminelen in de gevangenis werkt, mits er follow-up is als ze vrijkomen. De voorbeelden laten zien dat kennis zich niets aantrekt van politiek-ideologische voorkeuren. Meer blauw op straat is onzin, survivaltochten en buurtwachten zijn dat ook.

We zijn zelfs in staat om toekomstige criminelen vroegtijdig te ontdekken. Recent heeft de World Health Organisation nog eens bevestigd hoe belangrijk en bruikbaar hierop gericht onderzoek is waarmee ook onderscheid kan worden gemaakt tussen de Pietje Bells en de Cor van Houtjes. Het is dan zinloos straffen op te leggen aan een lang getreiterd meisje dat een pestkop een draai om de oren geeft, of een vijftienjarige jongen die twee appels bij de groentenboer pikt. Daaraan wordt nu dure politie- en justitiecapaciteit verspild. Besteed wel extra aandacht aan aantoonbaar riskante jongeren die nog maar wat kleinigheden hebben geflikt. Het werk van politie en jeugdwerk kan rationeler.

Het is in dit verband trouwens een spannende vraag hoever die aanpak mag gaan. Is het toelaatbaar dat gezinnen van jonge overtreders, de potentiële Cor van Houtjes, gezinsondersteuning tegen hun wil krijgen? Ik denk van wel, mits wettelijk wordt vastgelegd in welke gevallen deze `bemoeizorg' zal worden geleverd: bijvoorbeeld bij gevaarlijke jongeren onder de twaalf en bij vaker dan vijf keer recidiverende jongeren tussen twaalf en achttien. Zeker. In die laatste gevallen moet er ook straf zijn, maar alleen en voor zover dat bijdraagt aan het terugdringen van de misdaad: straffen is zinloos en dikwijls contraproductief als het niet gepaard gaat met resocialisatie.

Ondanks deze aanwezige kennis blijft de politiek, links en rechts, haar eigen koers varen. Het strafrechtelijk klimaat is in de afgelopen twintig jaar verhard, de WRR concludeert dat de misdaad nauwelijks is afgenomen. Op het gebied van handhaving worden meer cellen en cellen voor meer personen voorgesteld, dat betekent toenemende druk voor gevangenispersoneel, minder aandacht voor reïntegratie. Dat zijn over een tijdje weer meer afgestudeerden aan de hogeschool van de misdaad, wat de gevangenis is, die met weinig kansen terugkeren in de samenleving. Dat heet zinloze repressie.

Van politici en bestuurders wordt dus moed gevraagd. Goede politici weten de behoefte aan veiligheid – zoals gezegd: een politiek feit – te verbinden met kennis over wat werkt en niet werkt. De door burgers gewenste aanpak van onveiligheid betekent niet dat bestuurders met maatregelen komen die goed vallen bij een groot deel van de burgers. De door de burgers gewenste aanpak van onveiligheid betekent wel dat bestuurders met maatregelen komen die werken. Politici en bestuurders moeten dus afstand durven nemen van burgers.

Politici moeten voor zinvolle repressie echter vertrouwen hebben in de professional: de rechter, de aanklager, de politieagent, de reclasseringsambtenaar. Dat is immers degene die zijn specifieke kennis moet afstemmen op de concrete, individuele verdachte. Wat dit punt betreft, is de huidige situatie zorgwekkend. De sociaal-culturele status van alle posities binnen het veld van maatschappelijke veiligheid staat onder druk. Rechters wordt een gebrek aan onafhankelijkheid verweten. De politie heeft te maken met negatieve beeldvorming. De reclassering wekt zelfs de indruk zijn professionaliteit te hebben opgegeven om maar te ontkomen aan het imago van Sjakie uit de familie Flodder.

Het voelbare publieke en politieke ongeduld rond veiligheid lijkt die professional buitenspel te zetten. Het doorgeschoten juridisch proceduralisme – de vormfouten – waar nu wel ongeveer een halt aan is toegeroepen, is inmiddels vervangen door een bestuurskundig proceduralisme: planning and control, budgettering en streefcijfers. Dat heeft geleid tot nog meer papierwerk en tijdverspilling en vooral tot het verlies van het inzicht dat je gevaarlijke mensen en groepen per stuk moet beoordelen.

Zoals de explosievenopruimingsdienst bommen stuk voor stuk onschadelijk maakt, de dokter mensen stuk voor stuk geneest, zo moeten politie en justitie boeven en boefjes stuk voor stuk aanpakken. Je kan erover tandenknarsen uit teleurstelling wegens uitblijvend resultaat, maar zinvolle repressie kan niet zonder vertrouwen in de professionals die oogcontact hebben met de verdachten. We mogen resultaten vragen van die professionals: waarom wordt in Amsterdam en Groningen zoveel beter opgespoord dan in Den Haag en Rotterdam? We mogen gekozen speerpunten ter discussie stellen: gebeurt er wel genoeg voor allochtone slachtoffers van criminaliteit? Maar we mogen ze niet dwingen zich dommer te gedragen dan ze zijn.

Ons rechtssysteem heeft altijd, en met reden, de rechten en vrijheden van individuen als uitgangspunt genomen. Burgers moeten en willen – ook al lijkt het nu even niet zo – beschermd worden tegen het altijd mogelijke machtsmisbruik van de overheid. Daarom moet wettelijk worden vastgelegd wanneer wij inbreken op iemands vrijheid. Maar de inbreuk moet ook zinvol zijn. Wetenschappelijke inzichten geven goed aan wanneer die inbreuken wel en wanneer die inbreuken niet zinvol zullen zijn.

Zinvolle repressie impliceert dat het fouilleren van mensen in een riskante wijk aanvaardbaar is, als de mensen in die wijk er daardoor op vooruitgaan. Het is niet aanvaardbaar als die mensen er niet op vooruit gaan, maar het instrument ingezet wordt omdat de autochtonen in een stad het veilig vinden dat deze allochtone wijk ondersteboven wordt gehaald. Dat zou een voorbeeld van repressie zijn dat niet alleen zinloos is, maar bovendien contraproductief werkt. Met alle onveiligheidsgevoelens van dien.

Ybo Buruma is hoogleraar strafrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.