Onze oorlog

Met groeiende gelatenheid wordt nu overal vastgesteld dat een oorlog tegen Irak onvermijdelijk is. Hier en daar weet men zelfs al meer: de oorlog is al begonnen. De meeste Nederlanders vinden dat best, zo blijkt uit onderzoek. Van alle Europeanen blijken wij er de minste moeite mee te hebben wanneer Amerika met een VN-mandaat tot de aanval overgaat. Bijna zeventig procent van de bevolking is voor. Ach, wat is een oorlog? Lichtjes boven Bagdad, schimmige filmfragmenten van precisiebommen die arsenalen en hangars vernietigen, zelfverzekerde woordvoerders, af en toe een tragische afzwaaier of nog tragischer, een handvol slachtoffers van een ongelukkig friendly fire. Het staat bij voorbaat vast wie er gaat winnen. Wij kunnen het weten, wij hebben de vorige oorlog tegen Irak meegemaakt. Hier geen al te heftige debatten en geen felle stellingnamen, geen acteurs die zich tegen de oorlog uitspreken, geen dichters die petities opstellen, geen modeontwerpers die hun modellen met anti-oorlogstickers de catwalk opsturen. Op de demonstratie vandaag in Amsterdam worden tien- tot dertigduizend betogers verwacht. Niet echt een volksbeweging. Lee Towers brengt meer mensen op de been.

Er valt ook weinig verzet te plegen. De Nederlandse regering staat zij aan zij met Amerika, maar toch ook weer niet. Onze buitenlandse politiek is verworden tot een soort gedoogbeleid; we zijn niet voor een oorlog zonder VN-mandaat, maar we zullen de Verenigde Staten niet in de wielen rijden, mochten ze tot de aanval overgaan. Voor die houding wordt een beloning verwacht: als het oorlog wordt, hoeven wij onze handen niet vuil te maken.

Toch is het vreemd dat er zo weinig gedebatteerd wordt; niet over de werkelijke bedreiging die het Irakese regime voor de rest van de wereld vormt, niet over de dictatoriale verbetenheid van de VS, die haar coalitiepartners slechts als vazallen wensen te zien, niet over de vraag in hoeverre we het slachtoffer zijn van beeldvorming (Osama bin Laden is al bijna weer uit ons geheugen gewist, terwijl Saddam Hussein zijn comeback heeft gemaakt als antichrist), en ook niet over de vraag of het doel de middelen heiligt. De experts zijn weliswaar niet van het scherm af te slaan, er wordt heel wat afgebabbeld, maar buiten de actualiteitenrubrieken blijft het angstwekkend stil. Er worden nauwelijks oproepen gedaan, manifesten opgesteld, pontificale essays afgeleverd.

Hoe komt dat? Over de recente opmerkingen van het VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali over het botte karakter van de profeet Mohammed is heel wat meer gedebatteerd dan over de kwestie-Irak. Over de persoonlijke missie van Gretta Duisenberg ten behoeve van het onderdrukte Palestijnse volk, is meer inkt gevloeid dan over de komende oorlog. En die paar puberende schoolmeisjes die in een vlaag van bevlieging besloten een sluier voor hun gezicht te hangen, hebben meer commentaren losgemaakt over de botsing van culturen dan onze komende oorlog. Al die veelbesproken kwesties hebben geen grote gedachten opgeleverd, geen werkelijk concrete debatten losgemaakt over de aard van de multiculturele samenleving, of over het conflict in het Midden-Oosten. Zo snel ze opkwamen, zijn ze ook weer weggezakt. Het bleken incidenten, sensaties, nieuws-anecdotes. Nu het eindelijk echt ergens over gaat, klinkt er verdacht weinig rumoer.

Misschien is onze nieuwe oorlog niet persoonlijk genoeg. Een misvatting die Nederland sinds enige tijd is zijn greep heeft: wil iets echt betekenis krijgen, dan moet het ook persoonlijk zijn. Met het gevolg dat wat begint als een algemeen heet hangijzer, steeds weer eindigt in een discussie over persoonlijkheden. Het is niet de kwestie die een menselijk gezicht krijgt door het persoonlijke element, het is juist de kwestie die ondergeschikt wordt gemaakt aan een persoonlijkheid. Is Ayaan onevenwichtig, is Gretta hysterisch? De Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk komt ons na gesprekken met die religieus bevlogen schoolmeisjes sussend melden dat het echt hele leuke, verstandige meiden zijn, alsof dat er iets toe doet.

Het gaat niet om principes, het gaat om mensen; dat klinkt opwindend betrokken, maar het is juist dat persoonlijke element dat iedere discussie of debat zijn algemene betekenis ontneemt. Wat voorbij onze persoonlijke horizon ligt, daarover kunnen we niet meer praten.

Het schrijnendste voorbeeld van die neiging om alles persoonlijk te maken, is demissionair minister Nawijn, die zijn ,,discretionaire bevoegdheden'', de mogelijkheid om persoonlijk verblijfsvergunningen uit te delen, tot onderdeel van zijn beleid heeft gemaakt. De regels die hij voorstaat mogen onmenselijk zijn, als het om personen met een gezicht gaat, blijkt hij het hart op de juiste plaats te hebben. Er spreekt een onsmakelijke, door en door narcistische geest uit, maar ook een die van harte wordt ondersteund door de tijdgeest.

Eerst mensen, dan regels, meldt de nieuwe slagzin van verzekeraar Achmea zelfgenoegzaam. Maar wanneer het alleen nog maar om mensen gaat, valt over regels helemaal niet meer te praten. En niet alleen over regels, ook niet meer over vraagstukken die buiten de waan van de dag vallen, niet over kwesties die ver van ons bed liggen, want die zijn per definitie niet persoonlijk en direct. De slagzin van Achmea legt de perfiditeit van deze houding ongewild bloot: wat op het eerste gezicht een uitdrukking lijkt van een betrokken humanisme, blijkt bij nader inzien slechts het verongelijkte eigenbelang te huldigen: eerst ik, dan pas het algemeen belang.

Het is de neiging alles persoonlijk te maken die een werkelijk debat over belangrijke kwesties dwarsboomt. Die neiging is ook de oorzaak van de naar binnen gerichte blik van het Nieuwe Nederland, waar het buitenland tot het onopvallende decor is gereduceerd van een voorstelling vol lang uitgesponnen burenruzies.

Na elf september 2001 zag het er even naar uit dat Nederland zich in één klap bewust was geworden van de aanwezigheid van de grote boze buitenwereld. Inmiddels lijken de ogen alweer stijf dichtgeknepen.

Onze nieuwe oorlog zullen we ondergaan met het zelfgekozen autisme van een verslaafde aan videospelletjes. Want wat niet persoonlijk is, daar zijn geen woorden meer voor. Het is dus niet zo dat Nederland van alle Europese landen het meest oorlogszuchtig is, zoals de kranten naar aanleiding van het onderzoek concluderen. Van alle Europese landen is Nederland het meest onverschillig.