Irak, Europa en de VS 6

Het debat in het parlement over de juridische grondslag van de uitzending van een Patrioteenheid naar Turkije, berust op een onjuiste grondslag.

Het NAVO-verdrag is bindend in gevallen dat de NAVO-leden bepaalde artikelen van toepassing verklaren, zoals na 11 sep 2001 artikel 5 (deze aanval op één, werd beschouwd als een aanval op allen).

Het ondertekenen van het NAVO-verdrag is een bewijs van deelname en onderlinge solidariteit, maar kan niet worden uitgelegd als een verplichting tot hulp in onbepaalde zin. Een verplichting van de leden wordt geval voor geval gemeenschappelijk vastgesteld en eventueel in regeling uitgewerkt. Als die vaststelling niet plaatsvindt, is geen sprake van een NAVO-actie.

Nederland levert hulp aanTurkije en zegt daarbij dat het NAVO-verdrag tot solidariteit verplicht. Maar er is geen gemeenschappelijke conclusie over de toepassing van de situatie in Turkije op de de NAVO; sterker nog 3 landen hebben hun bezwaren laten vastleggen.

Uitzending van Nederlandse Patriots berust derhalve niet op een verplichting op basis van het NAVO-verdrag, maar op een Nederlandse nationale beslissing. Derhalve is artikel 100 van de Grondwet (de behartiging van de Internationale Rechtsorde) van toepassing en had de regeringstoezegging aan Turkije onder voorbehoud van parlementaire toestemming moeten plaatsvinden. De Kamer had dan beter geweten op grond waarvan uitzending plaatsvindt. De vraag rijst waarom het kabinet deze lijn heeft gevolgd en waarom het parlement deze benadering niet heeft onderkend.

    • Oud-President Noordatlantische Assemblee
    • A.B.M. Frinking