Een gevonden kip

Het was donker, eind oktober 2000, op de terugweg. Hij zag haar zitten in het licht van zijn koplampen: een kip op de vluchtstrook van de A28.

Edwin Frei is even in de veertig en directeur van een woon/zorgcentrum voor blinde en slechtziende ouderen. Zijn werk is in Wolfheze (Gld), hij woont in Uffelte (Dr).

Hij zag in die tijd wel vaker kippen op de snelweg, vermoedelijk dieren die van een vrachtwagen waren gevallen, meestal 's morgens, meestal doodgereden.

Deze leefde nog.

Aan de onderkant was ze helemaal rood, misschien van de klap op het asfalt. Of misschien had ze zich door een heel nauwe opening gewurmd. Verder zo goed als kaal, ernstig verzwakt, deerlijk vermagerd. Op een foto, die toch al wat later gemaakt is, ziet ze er nog steeds vreselijk uit. Uit het blote gezicht steekt een bijna obscene snavel naar voren.

Je neemt zo'n kip mee naar huis om haar rustig te laten doodgaan, rustiger in ieder geval dan langs de A28. Je brengt haar naar het schuurtje. Je geeft haar een doos met stro. Je moet haar tegen de zijkant van die doos zetten, anders valt ze om.

Ze taalt niet naar het water dat je haar aanbiedt. Toen zou je gezegd hebben dat ze nog het meest geholpen was met een klap met de bijl, maar ja, dat heeft ook niet iedereen in huis.

De volgende morgen hangt ze nog steeds tegen de zijkant van de doos. Ze moet moeite doen om haar ogen open te houden. Ze rilt. Telkens als ze uitademt, ritselen haar pennen tegen het karton. Kennelijk is het schuurtje nogal koud voor een kale kip. Er wordt een kacheltje bij gezet.

Je spettert wat met je vingers in het kommetje met water, je probeert zelfs haar kop erin te duwen, het is tenslotte voor haar eigen bestwil, en je houdt haar een schaaltje met kippenkorrels voor.

,,We hadden zelf'', zegt Edwin, ,,vier kippen en een haan gehad, maar die waren een paar weken daarvoor allemaal doodgebeten, waarschijnlijk door een bunzing.''

Ze drinkt niet, ze eet niet, die hele dag niet. Toch een eerste reactie, als je, omdat ze zo in het donker zit, een paar gaten in de doos snijdt, houdt ze haar kop schuin.

De volgende dag plet je de kippenkorrels fijn met een lepel; misschien ként ze geen korrels, misschien heeft ze tot dusver alleen maar voedermeel gehad. Even beroert ze het schaaltje met haar snavel. Even hoor je een kakeltje als je nog wat nadrukkelijker met het water spettert. Maar pas in de derde nacht gaat de knop werkelijk om.

Die ochtend blijkt ze een kuiltje in haar voer te hebben gegeten. Als je de voederbak bijvult, begint ze weer te pikken. Ze valt erbij neer, haar poten kunnen haar geringe gewicht nog steeds niet dragen, maar ze zet door.

Ze eet een kuiltje en dan stopt ze. Dat het voer niet naar haar toe komt, dat ze zich even moet verplaatsen om verder te kunnen eten, dát wil aanvankelijk maar niet tot haar doordringen.

Edwin: ,,Brood, sla, graan, niets at ze. Alles hebben we haar met veel aanmoediging en beginnend met kruimeltjes en snippertjes moeten aanleren. Nu is ze dol op brood.''

Na twee weken braken de eerste puntjes van bruine veren door haar vel.

Nog wat later probeerde ze op de rand van de voederbak te klauteren. Edwin schoof een stok door twee gaten in een hoek van de doos. Ze klom erop en viel eraf. Dat had een mooi ritueel kunnen worden: Edwin iedere avond naar het schuurtje om de kip op stok te zetten. Maar na een paar avonden zat ze al toen hij ging kijken, en stevig.

Dan verhuist ze van de doos naar een oud konijnenhok. Je strooit een handvol korrels tussen het stro en de kip maakt – kijk toch hoe onbeholpen – de eerste graafbewegingen met haar poten.

Dan, als ze genoeg is aangesterkt, wordt ze voor het eerst uit het hok gelaten. Ze weet niet goed wat te doen, ze durft nauwelijks een stap te verzetten. Dagenlang bezig om de schuur te verkennen. En als ze voor het eerst buiten de schuur komt, schrikt ze enorm van een windvlaag. Dagenlang op haar hoede voor de wind.

Dan, een dag voor kerst, legt ze haar eerste ei. Ruim een jaar lang zou ze bijna dagelijks een ei blijven leggen, zo ijverig en trouw dat ze dáár weer mager van werd.

Edwin: ,,We zijn intussen ruim twee jaar verder en ze leeft nog steeds. Ze heeft nu een grote bunzingbestendige ren tot haar beschikking. Maar daar loopt ze ook vaak buiten. Dan vangt ze vliegjes en graaft ze wormen op. Ze slaapt bij min tien in een onverwarmd hok. Ze kruipt onder een struik als er een buizerd overvliegt en waarschuwt dan de andere kippen alsof ze een haan is. Tot enkele maanden terug stond ze bovenaan in de pikorde.''

De Dikke Kip, zo heet ze nu in de wandeling. Ze kwam uit de kippenindustrie. Ze kon niks, ze wist niks, ze was niks. Alleen haar hart deed het nog. Ze kreeg een kans, ze greep die kans en er bleek een volwaardige kip in haar schuil te gaan. Misschien is dat het aandoenlijke van dit verhaal: de kip die uit een kip tevoorschijn kwam. Tegelijkertijd is dat dan ook het treurige: de gedachte aan de miljoenen volwaardige kippen die in de kippenindustrie verloren gaan, domweg omdat ze nooit van hun leven op de vluchtstrook van de A28 zullen belanden.

Ze stond bovenaan in de pikorde. Ze is inmiddels verdrongen door de Scharrelkip, óók een vondeling.

Edwin: ,,Het lijkt wel of we het aantrekken! Die hebben we in juli 2002 gevonden in een houtwal bij een theetuin in Paaslo. Ze lag slap en breeduit op de grond, alsof ze zat te broeden.

Er staan twee grote kippenschuren naast die tuin en de theeschenker vertelde ons dat er wel eens vaker een ontsnapte als er 's nachts kippen geladen werden.''

Ze mochten haar meenemen en hebben haar op dezelfde manier opgelapt. Alleen was zij er veel beter aan toe en meteen al veel meer kip. Haar kam en lellen waren weliswaar erg bleek, bijna wit, maar ze zat redelijk in de veren, ze wist direct wat water was, ze kon lopen en pikken en lustte snel brood. Na een week of vier kon ze bij de anderen. In een venijnige strijd werd de Dikke Kip van haar plaats verstoten.

Edwin: ,,Het verschil tussen die twee was opvallend. Misschien was de eerste een echte legbatterijkip en de tweede een scharrelkip. Inmiddels lijken ze sprekend op elkaar, de ene alleen oud en de andere jong. En de Scharrelkip gaat niet op stok, ondanks twee weken optillen.''

Een toom van in totaal zes kippen: de Dikke Kip, de Scharrelkip, twee kippen van een man die moest worden opgenomen en twee Barnevelder krieltjes. Bij deze krieltjes hoort een haantje, dat volwassen begint te worden. Soms legt hij met een verleidelijk klokkend keelgeluidje iets lekkers neer voor de vrouwtjes. Dan is de Dikke Kip de eerste die komt aanrennen om te kijken wat dat voorstelt.