De sportleider kent zijn plaats

Jacques Rogge wil als voorzitter van het IOC de Olympische Spelen verkleinen, zodat ooit Afrika en Zuid-Amerika voor de organisatie in aanmerking komen. Maar het veranderingsproces verloopt langzamer dan hem lief is. ,,De scheidslijn in de wereld is nog steeds horizontaal, niet verticaal.''

Tijdens Olympische Spelen speelt afkomst of etniciteit van de mens geen rol. Onder de hoede van de vijf ringen gelden in de arena's de wetten van wederzijds respect en lijkt het atletendorp wel een vredeskamp. Een mooiere metafoor voor wereldvrede bestaat bijna niet. Maar voorzitter Jacques Rogge van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) blijft desondanks nederig in zijn voorbeeldfunctie. De 60-jarige Belg weet dat de macht van zijn organisatie beperkt blijft tot de sportvelden en dat hij in deze tijd van oplopende spanning in de wereld niets kan uitrichten. ,,Het IOC in de rol van vredesbeweging? Dat is niet realistisch. Waar drieduizend jaar beschaving gefaald heeft, kan de olympische beweging onmogelijk vrede brengen.''

In Chateau de Vichy, het olympisch hoofdkwartier in het Zwitserse Lausanne, doet Rogge zich niet groter voor dan hij is, ook al bekleedt hij sinds anderhalf jaar de belangrijkste functie in de sportwereld. De opvolger van de Spaanse markies Samaranch kent zijn plaats, zelfs als internationale conflicten de sportbeweging raken en hij die bespreekt met tal van staatshoofden. Met gepaste trots stelt hij vast: ,,Bij de laatste Winterspelen in Salt Lake City is niemand omwille van `11 september' thuisgebleven. Binnen de sport is geen sprake van verwijdering tussen de westerse en moslimlanden. Maar wij moeten onze grenzen kennen en niet bombastisch gaan doen door te verklaren dat wij de wereldvrede dichterbij kunnen brengen. Dat zou naïef zijn.''

In zijn ruime maar sober ingerichte werkkamer met uitzicht op een tuin aan de oever van het Meer van Genève blijkt Rogge nog even minzaam als voor zijn verkiezing tot voorzitter van het IOC. Hoewel hij behoedzamer is in zijn stellingname. Niet dat de voormalig orthopedisch chirurg uit het Belgische Deinze stevige standpunten uit de weg gaat, maar hij kiest zorgvuldig zijn woorden, in de wetenschap dat zijn woorden altijd zullen worden gewogen. Ver van de zithoek geeft een sportzender beelden van de wereldkampioenschappen skiën. Rogge kijkt er soms reikhalzend naar.

Vooralsnog zegt de IOC-voorzitter geen vrees te hebben dat een tweede oorlog in Irak gevolgen zal hebben voor de olympische beweging. De ervaring heeft hem geleerd dat de weerslag beperkt blijft zolang geen sprake is van een wereldomvattend conflict. Rogge was zelfs als zeiler aanwezig tijdens de Spelen van 1972 in München, toen de Spelen na een Palestijnse aanslag uiteindelijk `gewoon' doorgingen. Rogge: ,,Ten tijde van de Spelen van Barcelona in 1992 stond Serajevo in brand. Dat was 1.500 kilometer verderop, maar de Spelen zijn doorgegaan.''

De Winterspelen in Salt Lake City stonden na de aanval op het World Trade Center in New York evenmin ter discussie, al laat Rogge blijken dat de tijdspanne tussen 11 september 2001 en 8 februari 2002, de dag van de openingsceremonie, niet veel korter had moeten zijn. ,,Nu hadden de Amerikanen genoeg tijd om de schok te verwerken. Maar als de aanslag op 30 januari was gepleegd, zouden de Spelen zijn afgelast. Bij dat soort zaken moet je een beetje geluk hebben. En de veiligheidsmaatregelen die daarvan het gevolg zijn, accepteer ik als een gegeven. Maar is veiligheid beheersbaar in functie van het terrorisme? Dat is de fundamentele vraag. En hebben we dan keus? Stoppen met de Olympische Spelen zou ook betekenen dat je niet meer kunt vliegen, niet langer belangrijke voetbalwedstrijden kunt laten spelen en geen rockconcerten meer kunt houden. En dan kun je ook geen warenhuis meer in, want een bom kan overal ontploffen. Een oplossing geen optie zou zijn om de pers er buiten te houden, want het gevaar schuilt niet in de omvang van een evenement, maar in de media-aandacht.''

Voor de eerstvolgende Spelen, die van Athene in 2004, zullen de veiligheidsmaatregelen volgens Rogge opnieuw optimaal zijn. En de slechte naam die Griekenland heeft ten aanzien van terrorismebestrijding, boezemt hem geen vrees in. ,,De Grieken hádden een slechte naam. De Griekse regering spendeert 600 miljoen dollar aan veiligheid voor de Spelen en in alle rapporten die wij ontvangen beweren de experts dat er grote vooruitgang is geboekt. Daar komt nog bij dat er voor aanvang van Olympische Spelen onder veiligheidsdiensten van een tachtigtal landen altijd een uitgebreide uitwisseling van informatie plaatsheeft. Als coördinator van de Spelen in Sydney heb ik twee van die conferenties meegemaakt; dat was bijzonder informatief en zeer boeiend. Bovendien is gebruikelijk dat organisatoren van Spelen informatie over veiligheid overdragen aan hun opvolgers. En tot slot hebben wij als IOC de mannen die verantwoordelijk waren voor de veiligheid van `Barcelona' en `Sydney' in dienst genomen. Het is nogal wat, ik weet het, maar we zullen er tot in eeuwigheid mee moeten leven, omdat de Spelen nu eenmaal het grootste media-evenement ter wereld zijn. 25.000 journalisten en 50 miljard gecumuleerde kijkcijfers over zestien dagen competitie, wie daarvan misbruik wil maken, vindt geen beter medium.''

Dat besef is er ook bij politici, van wie de Amerikaanse president Bush de Winterspelen in Salt Lake City een politieke lading gaf door tijdens zijn openingshandeling met de woorden ,,in the name of a proud country'' te verwijzen naar de aanslag in New York. Die pathetische toevoeging was in strijd met het protocol. ,,Hij had die extra woorden niet moeten uitspreken, maar het is ook weer geen zaak om je enorm druk over te maken. Het betrof nog altijd geen propaganda voor zijn republikeinse partij. Nee, ik was daar vooraf niet over verwittigd. Iedereen was verrast.''

Dat gold niet voor het binnendragen van de gescheurde Amerikaanse vlag van Ground Zero tijdens de openingsceremonie, een daad waar Rogge niet gelukkig mee was. Daarover was vooraf intensief overleg gevoerd met de IOC-voorzitter, die veel heeft moeten praten om de Amerikanen er van te weerhouden er een `11 September-Memorial' van te maken. Daar was het de plaats niet voor en bovendien zouden moslimlanden de actie als een provocatie hebben kunnen opvatten. Rogge nu: ,,Aanvankelijk wilden de Amerikanen die vlag samen met de teams binnenbrengen. Toen heb ik gezegd: `nee, dat kan niet, omdat je dan atleten vraagt zich op een ongebruikelijke manier te gedragen. Daarnaast is het een plechtstatig moment, dat niet past bij de uitingen van vreugde tijdens een openingsceremonie.' Het compromis was de vlag te laten dragen door atleten en brandweerlieden. Ik vond het uiteindelijk een waardig geheel.''

Aan waardigheid ontbrak het volgens Rogge in Salt Lake City daarentegen wel bij de Nederlandse de schaatsers die weigerden de vlag te dragen tijdens de openingsceremonie omdat ze de voorbereiding op de wedstrijden belangrijker vonden. ,,Ik vind dat een atleet niet egoïstisch mag zijn. Die dames en heren verdienen goed geld en als ze dan iets moeten doen voor het imago van hun land past het niet om te zeggen: `nee, het komt mij niet uit, zoek maar een ander.' Ik vond het zeer spijtig. Zij mogen niet vergeten te schaatsen in een structuur die betaald is door de belastingbetaler. Ze zijn opgeleid bij clubs die gesteund worden met overheidssubsidies en waar vrijwilligers veel werk verrichten. Niemand wordt geboren als vedette. Sporters als Carl Lewis, Michael Jordan of Magic Johnson die veel bekender zijn, hebben we in het verleden altijd wel zien defileren. Als zij dat kunnen, waarom dan geen Nederlandse schaatsers? Ik was aanvankelijk niet van de Nederlandse discussie op de hoogte. Dat is niet het niveau van informatie waar ik me mee bezighoud. Ik hoorde het pas van Mart Smeets, die me er in een tv-interview van de NOS naar vroeg.''

Na negentien maanden regeren wil het niet vlotten met Rogge's voornemen het programma van de Olympische Spelen te hervormen. Hij moest vorig jaar november in Mexico-Stad, onder druk van de algemene vergadering, het voorstel terugnemen om honkbal, softbal en moderne vijfkamp te vervangen door onder andere golf. Als waar is dat aan die programmawijziging een competentiestrijd tussen het IOC en de Verenigde Staten ten grondslag ligt, heeft Rogge de eerste slag verloren. Honk- en softbal is bij de Spelen van Atlanta in 1996 onder Amerikaanse druk aan de Spelen toegevoegd, maar nu is gebleken dat de sterren uit de Major League wegblijven, zou het IOC de Amerikanen willen tonen dat zij geen baas over de Spelen zijn. De Amerikanen op hun beurt verzetten zich al jaren tegen de in hun ogen dominante positie van Europa in de olympische beweging en vechten voor het behoud van een zeer Amerikaanse sport.

Rogge werpt de veronderstelling verre van zich dat het IOC is gezwicht voor een lobby van het land dat met zijn sponsoren en televisiestations ook nog eens veel geld in de olympische kas stort. ,,Elke verandering leidt tot misnoegen in bepaalde landen, daar moet je niets in zoeken. Honkbal is populair in Noord-Amerika, het Caraïbisch gebied en in Japan en Zuid-Korea. Moderne vijfkamp wordt vooral gesteund door Europese landen. Het ging om de populariteit van de sport. De honkballers zijn er nog altijd bij. En als zij met de beste spelers naar de Spelen komen, denk ik dat ze een goede kans maken om te blijven.''

Tot Rogge's genoegen is uitbreiding van het olympisch programma wel voorgoed geblokkeerd. Zijns inziens heeft de algemene vergadering in Mexico-Stad een historisch besluit genomen door het programma te bevriezen. ,,Dat is de eerste keer sinds 1936. De laatste sport die werd geschrapt was polo, in 1936. Sindsdien is het programma verdubbeld. Vergelijk de getallen van nu maar eens met de Spelen van Londen in 1948. Destijds waren er zeventien sporten, nu 28. Toen waren er 140 proeven, nu 301. En het aantal atleten is gestegen van 4.000 tot 10.500. Die groei was terecht, maar nu hebben we de grenzen bereikt. En ik weet waarover we praten, omdat ik de coördinatie van de Spelen in Sydney had. Iedereen zei dat het perfecte Spelen zijn geweest. Dat klopt; maar wel perfect voor Sydney en niet noodzakelijkerwijs voor andere steden.''

In zijn strijd tegen het gigantisme van de Olympische Spelen was Rogge ook ingenomen met het besluit van de algemene vergadering om na elke Spelen het programma volledig te evalueren. ,,En we zullen dat zeer kritisch bekijken, want er wachten vijftien sporten op toetreding. Voor honkbal en moderne vijfkamp was dat aanleiding zich de kritiek van het IOC aan te trekken. Honk- en softbal zijn in tegenstelling tot voorheen nu wel bereid één stadion te delen. Tot genoegen van de Grieken in Athene, die helemaal niets met die Amerikaanse sporten hebben. En bij moderne vijfkamp bestaat de bereidheid de proef met het paard te vervangen, omdat dat onderdeel voor de meeste organisatorische voor problemen zorgt. Het effect van de nieuwe maatregelen is op termijn zichtbaar. Ik verwacht dat het tot gezonde veranderingen zal leiden.''

Natuurlijk beseft Rogge dat de ideale Spelen er nimmer zullen komen. Die bestaan voor hem uit gegarandeerd veilige competities, een vlekkeloze organisatie en grote prestaties door de beste sporters ter wereld. En Spelen die wereldwijd kunnen worden gehouden. Want tot op heden hebben Afrika en Zuid-Amerika niet de kans gehad. En wie de voorzitter van het IOC goed beluistert, weet dat daar op korte termijn ook geen kans op is. ,,Uit universeel oogpunt zouden we niets liever willen, maar het kan simpelweg niet, omdat het ten koste zou gaan van de kwaliteit van de Spelen. Steden in die continenten missen nu eenmaal het vereiste economische en technologische niveau. Als IOC zijn we tegenover de atleten verplicht kwaliteit te leveren, omdat zij maar één of twee keer in hun leven de kans krijgen aan Olympische Spelen deel te nemen. Kijk naar de economische situatie van dit moment in Zuid-Amerika. Stel je voor dat wij onlangs de Spelen aan Buenos Aires hadden toegekend; dan zaten we nu in diepe problemen. Je moet het veilig spelen voor de atleten. Zo niet, dan gaan we naar een andere plaats waar het wel kan.''

Hoezeer Rogge ook geïnteresseerd is in het verloop van het WK voetbal in 2010 in Zuid-Afrika, hij beschouwt dat toernooi niet als een proeve van bekwaamheid voor een eventuele organisatie van de Olympische Spelen in dat werelddeel. Omdat zijns inziens de vergelijking mank gaat. ,,Je praat over twee totaal verschillende organisatiepatronen. Bij het WK voetbal zijn 600 deelnemers, tegenover 10.500 bij de Spelen. En 32 landen in plaats van 200. Het WK voetbal telt 64 wedstrijden, bij de Spelen zijn dat er 900. Het WK voetbal verkoopt zo'n vijf miljoen tickets, wij 9,5 miljoen. Het WK voetbal trekt 9.000 journalisten, de Spelen 25.000. Bovendien zijn wij in ons toewijzingsbeleid tegenstander van een verplichte rotatie van continenten; je bent dan gebonden door je eigen reglementen. Wij doen het anders: bij gelijke technische waarde van twee kandidaat-steden, kiezen we het land waar de Spelen nog niet zijn gehouden. Het WK voetbal in Afrika gaat lukken, daar twijfel ik niet aan, maar voor ons is het te vroeg. De economische, politieke en veiligheidsproblemen beletten dat. En dat ligt niet aan de sport, maar aan de samenleving. Bij ongewijzigde verhoudingen zal de organisatie van Olympische Spelen met uitzondering van Australië voorbehouden blijven aan steden op het noordelijk halfrond; de scheidslijn is horizontaal, niet verticaal.''

Ten aanzien van doping huldigt Rogge een genuanceerd standpunt. De Belgische medicus, zelf een oud-sporter hij nam als zeiler deel aan de Spelen van 1968, 1972 en 1976, was wereldkampioen zeilen en 16-voudig Belgisch rugbyinternational is geen hardliner met een voorkeur voor strenge straffen. Hij noemt zichzelf een realist. ,,We zullen altijd blijven vechten tegen doping. We zullen nooit kunnen zeggen: `de sport is dopingvrij'. Desondanks vind ik dat we in de strijd tegen doping onze inspanningen moeten vermeerderen. We moeten meer opvoeden, meer testen en meer aan preventie doen. En beter wetenschappelijk onderzoek verrichten, als ook de wetgeving in de verschillende landen harmoniseren. Maar beweren dat de wereld ooit dopingvrij zal zijn, staat gelijk aan de bewering dat een minister van Justitie overbodig wordt of dat de samenleving verder kan zonder politie. Doping is een uiting van criminaliteit van de samenleving; het is niet anders.''

Rogge zou willen dat wereldwijd consensus bestaat over de bestrijding van doping. Hoe illusionair die veronderstelling is bewijst de wereld-antidopingcode, die begin maart tijdens een dopingcongres van de werelddopingorganisatie WADA in Kopenhagen moet worden vastgesteld. De code is bedoeld om regelgeving en bestraffing wereldwijd te regelen en moet tijdens de Spelen van Athene ingevoerd worden. Maar alle besprekingen vooraf met sportfederaties en regeringen ten spijt is de ontwerptekst niet veel meer dan een beschrijving van de actuele situatie. De opvattingen verschillen dusdanig dat een compromis vooralsnog onmogelijk te sluiten is.

Dat heeft Rogge na lezing van de tekst ook moeten vaststellen. ,,Het is waar dat de antidopingcode geen revolutionair verschil zal uitmaken ten opzichte van de bestaande situatie, waarin de code van het IOC overigens goed werkt. De grote winst die WADA heeft geboekt is de participatie van regeringen; die is van vitaal belang. Overheden hebben de bevoegdheid tot wetgeving en douanecontroles en beschikken over uitgebreide researchmogelijkheden in universitaire centra. Zij hebben ook de financiële middelen en zorgen voor de opleiding van sportartsen. Daar hebben we WADA ook voor in het leven geroepen, want zij is tenslotte ons kindje. We hebben WADA niet opgericht om een betere tekst van het dopingreglement te hebben, die konden we zelf binnen de sportbeweging ook wel uitschrijven.''

Rogge schaart zich niet onder de doemdenkers die verwachten dat genetische manipulatie van atleten niet ver meer weg is. ,,Omdat genetische doping wel degelijk opspoorbaar is. Niet op de klassieke manier, maar wel via biopsie. Alle specialisten lachen om het idee van gekloonde atleten. Als je weet hoeveel mislukkingen er zijn bij het klonen van dieren, dan moeten we niet denken dat het zo maar overdraagbaar is op de mens. Het kost twee- tot driehonderd proeven bij dieren voordat sprake is van één leefbaar embryo. Bovendien, de omgevingsfactoren van de mens zijn van dien aard dat je niet moet denken dat alles genetisch bepaald is.''

    • Henk Stouwdam
    • Guus van Holland