Bush drijft Saddam Hussein en Osama bin Laden in elkaars armen

Ten minste de helft van de Amerikaanse bevolking gelooft dat de aanvallen op het World Trade Centre en het Pentagon in september 2001 werden uitgevoerd door handlangers van Saddam Hussein. Op deze aanname steunt de bereidheid de regering-Bush blindelings te volgen bij een militaire overval op Irak, zo blijkt uit een vrijwel onopgemerkte enquête.

Vorige maand ondervroeg het gerenommeerde instituut voor opinieonderzoek Princeton Survey Research Associates meer dan 1.200 Amerikanen in opdracht van een concern dat 31 gevestigde plaatselijke en regionale kranten uitgeeft, zoals de Talahassee Democrat.

Het onderzoek haalde de `mainstream media' en de internationale pers niet. Voor propagandistische doeleinden van overheidswege was het naar zijn aard niet bruikbaar. De eerste vraag luidde: Hoeveel van de vliegtuigkapers op 11 september 2001 waren volgens u Iraakse burgers? Slechts 17 procent van de Amerikanen kennen het juiste antwoord, namelijk: geen van de kapers was Irakees; 33 procent weet er te weinig van om een mening te geven; 44 procent daarentegen gelooft dat de meeste kapers, of althans een aantal van hen uit Irak afkomstig waren. Met de 6 procent die gelooft dat er één Irakees bij was, komt het totaal aantal Amerikanen, overtuigd van de fysieke betrokkenheid van Irak bij de aanval op 50 procent.

Deze uitkomst is des te opvallender, omdat men toch mag aannemen dat het Amerikaanse publiek in de voorbije anderhalf jaar veelvuldig via de media geïnformeerd is over de nationaliteiten van de daders. De officiële lijst omvat 25 Saoediërs, een Egyptenaar, een Libanees en twee onderdanen van de Verenigde Arabische Emiraten.

In dezelfde onderzoek werd gevraagd of er naar de mening van de geënquêteerden een relatie bestaat tussen Al-Qaeda en Irak. Tweederde van de Amerikanen is ervan overtuigd dat deze beide machten nauw samenwerken. Dit is precies wat de Bush-propaganda probeert te suggereren, ook al leverde minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in zijn recente optreden in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties hiervoor nauwelijks enig bewijs en is de afkeer van Al-Qaeda voor Saddam Husseins seculiere bewind een erkend feit.

De demonisering van Irak begon officieel in Bush `State of the Union'-rede, eerder in 2002, met de verwijzing naar de `As van het Kwaad', bestaande uit Irak, Iran en Noord-Korea, de drie landen die beschouwd werden als broeinesten van terrorisme. Irak en 11 september 2001 raakten hierdoor in het onderbewustzijn van de Amerikanen intrinsiek met elkaar verweven.

De onvindbare Osama bin Laden onderging door de sluipende propaganda een gedaanteverandering. Hij kreeg steeds meer de trekken van Saddam Hussein. De transformatie voltrok zich minder langs de weg van informatie, maar vooral via de met 11 september 2001 verbonden emoties.

Minister van Justitie John Ashcroft liet geen gelegenheid voorbijgaan om Irak af te schilderen als schurkenstaat no. 1, en tegelijkertijd voorspelde hij telkens opnieuw terroristische aanslagen op het grondgebied van de Verenigde Staten. Zelfs in september 2002 zinspeelde zijn collega Donald Rumsfeld nog openlijk op betrokkenheid van Saddam bij het verspreiden van anthraxbrieven onder Amerikaanse burgers in oktober 2001. Zulks ondanks het feit dat, naar inmiddels was komen vast te staan, een inheemse terrorist van het slag `Unabomber' de bedrijver moet zijn geweest. Ten prooi aan permanente angstgevoelens maakten de Amerikanen een collectieve ommezwaai van een defensieve naar een pro-actieve houding. Gevoelsmatig werd de naderende oorlog tegen Irak verkocht als vergelding voor 11 september 2001.

Deze week heeft de Arabische nieuwszender Al-Jazeera een oproep uitgezonden van Osama bin Laden aan alle moslims tot solidariteit met Irak en tot nieuwe aanslagen op de Verenigde Staten. Minister Powell haastte zich te verklaren, dat hiermee het bestaan van Iraakse banden met Bin Laden is aangetoond.

De Amerikanen zullen Powell grif geloven. Het versterkt hun oorlogsmotivatie.

Naar gevreesd moet worden mobiliseert Bin Laden met zijn oproep ook een aantal gematigde moslims tot agressie jegens het westen.

De wisseltruc van Bush heeft Bin Laden niet vervangen door Saddam, maar beide los van elkaar opererende Arabische dictatoren in elkaars armen gedreven. Dit voorspelt weinig goeds voor een territoriale beperking van het conflict.

De les voor het `oude Europa' kan geen andere zijn, dan te doen wat Amerika heeft nagelaten: de miljoenen gematigde moslims binnen zijn grenzen ervan te overtuigen, dat zij als volwaardige medeburgers een plaats kunnen verwerven in de Europese beschaving.

Dr. B.P.Hofstede is mediasocioloog.