Zachtjes kreunen de beide bomen

Bestaat er zoiets als een compositie-eis voor dichtbundels? Ik bedoel, moeten de gedichten in een bundel, hoe dan ook, verwantschap tonen? Moet er bij voorbeeld thematisch een eenheid zijn, of stilistisch? Wat thematische eenheid vermag liet Koos Geerds tot nog toe in twee bundels zien: in 1994 in Insekten, en in 1998 in Staphorst. In de eerste bundel bezong hij in drieëndertig gedichten het levensmysterie van aaltje tot en met zijderups; de tweede bundel is een liefdevolle lofzang op de godsvrucht maar ook nuchterheidszin in het dorp waarin de dichter opgroeide. De stijl van de verzen wisselt, maar het thema houdt ze samen.

In Geerds' nieuwe bundel ontbreekt zo'n samenhang. Als er al sprake is van compositie, dan gaat die schuil achter de waaier van onderwerpen die hier openvouwt. Weerribben heet de bundel en dat is ook de titel van zowel het openings- als het slotvers. Als twee potdeksels moeten die Geerds' rariteitenkabinet bijeenhouden, maar dat lijkt een hopeloze jongleertruc. De Weerribben is een waterrijk natuurmonument in de kop van Overijssel, boven Blokzijl en ten westen van Steenwijkerwold. Dat is bepaald niet op loopafstand van Rouveen, Yde, de Achterhoek, Westerbork en Corsica. En de alligatorschildpad en de neushoorn zal men langs de Kalenbergergracht in de Weerribben niet aantreffen. Toch nam Geerds gedichten over deze plaatsen en dieren op in zijn bundel.

In het persbericht, dat ook naar recensenten gaat, stelt de uitgever dat Weerribben in opzet losjes doet denken aan Het spel van de wilde jacht van Gerrit Achterberg. Wie die cyclus uit de boekenkast trekt en naast Weerribben legt, ziet het misverstand. Achterberg trekt alleen in het derde bedrijf van zijn cyclus, dat `Op reis' heet, de grens van zijn reservaat over. Maar belangrijker dan die geografische beperking zijn Achterbergs vormkracht en idioom. Die zijn zo herkenbaar eigen en verheffen zich zo vanzelfsprekend boven het alledaagse, dat de cyclus alleen al daaraan zijn eenheid ontleent.

In Weerribben daarentegen is er geen eenheid van stijl en vorm. Geerds meandert van emotie naar anekdote, langs mythe en natuurschets naar Gods woord in een ready-made. Dat levert soms treffende notities op, zoals `Langs het bospad':

Twee bomen zo vergroeid,

dat het haast pijn doet om te zien

hoe zij getild staan in elkaar,

met vederlicht gebaar

elkanders huid bewaren,

onthecht staan als een paar

dat aan de liefde net begint,

te horen hoe zij onderdrukt

alsof zij hevig vrijen kreunen,

onstilbaar, buiten adem,

op ieder zuchtje van de wind.

Dat is treffend geformuleerd, maar niet meer dan een schets. Ik mis de `kelder' waarvan elk gedicht er volgens Van Ostayen ten minste één moet hebben. Bij herlezing staat er nog steeds hetzelfde, woordelijk uiteraard, maar ook inhoudelijk. Een subtekst ontbreekt. Bij nader inzien geldt dit ook voor vrijwel alle verzen in Insekten en Staphorst, maar daarin wordt de anekdotiek door het thema geschraagd.

In Weerribben toont de cyclus `Rouveen' een soortgelijke samenhang. Het zou me ook niet verbazen als deze serie een nageboorte van Staphorst is. Beide dorpen vormen immers samen een gemeente. Maar dat rechtvaardigt nog geen opname in Weerribben. Daarin wekt deze cyclus vooral een indruk van restverwerking.

Voorin de bundel bedankt Geerds het Fonds voor de Letteren voor een werkbeurs; maar had hij niet beter meer tijd kunnen nemen? Dat was zowel de inhoud als de compositie van Weerribben ten goede gekomen. En hoe kritisch is de poëzieredacteur van De Arbeiderspers? De bundel biedt twee ready-mades: een over `de knijpmethode en de snijmethode' waarmee men castraten maakt, de ander over manna. Die tweede ready-made gaat als volgt:

En des morgens was er een dauwlaag;

zie, daar lag over de woestijn

iets fijns, iets schilferachtigs,

fijn als rijm op de aarde

en zij wisten niet wat het was.

En zij verzamelden het

ieder naar behoefte,

de een meer, de ander minder.

En hij die meer verzameld had

had niet te veel

en hij die minder verzameld had

kwam niet tekort.

Een paar schrappingen daargelaten, is dit een letterlijke tekst uit het boek Exodus 16:13-14 en 17-18. Ik wil niet oneerbiedig zijn – ooit ging ik zelf naar zondagsschool – maar zo kan elke bijbellezer wel drie dichtbundels maken. Heeft De Arbeiderspers geen zeef?

Voor de zekerheid zocht ik hulp in encyclopedie en woordenboek. Zou het woord `weerribben' een betekenis hebben die duidelijk maakt wat Geerds in zijn bundel beoogt? Maar helaas: in de Winkler Prins komt het woord niet voor, en het WNT en de Van Dale springen respectievelijk van `weerprofeet' naar `weerroepen' en van `weerrapport' naar `weerrijm'. Zoals Weerribben van het ene gedicht naar het andere.

Koos Geerds: Weerribben. De Arbeiderspers, 57 blz. €15,95

Gerectificeerd

Door een misverstand ter redactie stond bij Arie van den Bergs bespreking van de bundel Weerribben van Koos Geerds (Boeken, 14.02.03) dat het om diens derde bundel zou gaan. Weerribben is echter de achtste bundel van Geerds, die in 1982 debuteerde met Het vloeiende land.