Ridder in het ravenleger

Wie heeft het woord `God' verzonnen? Theologen hebben er diepzinnige theorieën over, maar de Galicische auteur Manuel Rivas houdt het bij een alledaags alternatief: een timmerman die met zijn hamer op zijn vinger sloeg of een boer die dankbaar was voor regen na lange droogte. Het personage dat hij die mijmering in zijn roman In wild gezelschap in de mond legt twijfelt. `Was er eerst het gebed of de vloek?'

Goden ontstaan vanuit de aarde, zoveel is duidelijk. Zij, en de hele hemelwereld van heiligen, zielen en schimmen zijn een voortzetting van de werkelijkheid, niet andersom. Galicië is Keltische grond; wereld en bovenwereld zijn er nog niet ver uit elkaar gedreven. Het leven is vol wonderen en daardoor is het wonderlijke onthutsend alledaags.

Behalve wanneer het wonder tot de officiële religie behoort. In het begin van het boek verschijnt in het dorpje Arán een reeks afbeeldingen van heiligen op de muur van de dorpskerk. De kleine Rosa ontdekt ze en de pastoor legt in zijn preek hun allegorische betekenis uit. Maar belangrijker dan dit `wonder van Arán' blijft de plaatselijke mythologie van de driehonderd ridders van de laatste Galicische koning, die voortleven als pikzwarte raven. De inwoners zien hen soms op hun daken neerstrijken.

Rosa groeit op en trouwt ongelukkig. De pastoor sterft en leeft voort als een muis in zijn eigen pastorie. Alle gestorven zielen van het dorp komen er langs, als vleermuizen, mollen, hagedissen. Niets is veranderd, op hun verbetenheid na. Voortaan bespiegelen ze de dorpsgebeurtenissen met berustende melancholie. De godsvraag wordt opgeworpen door één van hen, een hagedis, en zijn antwoord blijft kenmerkend aards.

Rivas schreef In wild gezelschap tien jaar geleden. Het was zijn eerste roman, nadat hij al bekendheid had gekregen als schrijver van korte verhalen. Daarin had het realisme veeleer de overhand, net als in zijn tweede roman, Het timmermanspotlood, die hij vijf jaar later publiceerde en die al eerder in Nederlandse vertaling verscheen. De Burgeroorlog stond daarin centraal, met een iets te nadrukkelijke morele rolverdeling tussen de twee protagonisten: een charismatische arts en een sadistische bewaker die hem als gevangene begeleiden moet.

Het realisme over toen werd in Rivas verhalen gevolgd door het realisme over nu: het Galicië van bromfietsen en drugshandel, industrialisatie en ontwortelde jeugd. Op de flaptekst van zijn laatste bundel Las llamadas perdidas (Vergeefse oproepen) staat het bijna militant: `De auteur vlucht niet weg uit de realiteit maar eist meer en meer: méér realiteit!' Alsof hij iets moest rechtzetten.

Met de sprookjesachtigheid van In wild gezelschap had hij zich in eigen ogen wellicht te veel laten aansteken door de spreekwoordelijke Galicische betovering waaraan Alvaro Cunqueiro in een vorige schrijversgeneratie literair gestalte had gegeven. Niets is zo hinderlijk als te worden geïdentificeerd met een stereotype. Maar In wild gezelschap bleek wel een buitengewoon gelukkige neerslag te zijn van dat bijna toeristisch `typische' van de Spaanse noordwesthoek.

Verbeelding gaat erin moeiteloos samen met het realisme van de vroege jaren tachtig, waarin de roman speelt. Want Rosa mag dan dromerig het voorwerp zijn van de bespiegelingen van alle gestorven zielen, haar onromantische huwelijk en de korte flirt met een uit de VS teruggekeerde arbeider zijn er niet minder werkelijk om. En hoe ontroerend Rivas ook vertelt over de idyllische romance van de simpele Simón met een meisje dat hij een ritje toestaat op zijn paard, tenslotte vertrekt zij – zoals zovelen uit haar generatie – als dienstmeisje naar de stad en verdwaalt Simón, op zoek naar haar, tussen olieraffinaderijen en auto's die op de snelwegen voorbijrijden `als gevoelloze lansiers'.

Ook dan blijft Rivas schrijven op de rand van werkelijkheid en verbeeldingskracht, die elkaar in een delicaat evenwicht houden. Het barokke Latijns-Amerikaanse magisch-realisme is bij Rivas ver weg. Zijn taal is geserreerd, zijn beelden zijn sober en zijn zinnen blijven ook in de mooie vertaling van Elly Bovée af- en uitgewogen. Dat geeft In wild gezelschap een bescheidenheid die haar eigen schoonheid schuchter onthult maar daarin vervolgens betoverend blijkt.

Zonder bitterheid en teloorgang is die charme echter nooit. Ook Rosa's huwelijk eindigt met een vertrek naar de stad en vermoedelijk met een moord. Simón verdwijnt met paard en al en versterkt het ravenleger van de Galicische koning. De heiligen op de kerkmuur van Arán vervlekken en vervagen.

Manuel Rivas: In wild gezelschap (En salvaxe compaña). Vertaald door Elly Bovée, Ambo, 189 blz. €21,90