Rebelleren tegen de verzamelde drogisterij

De stad van Pietje Bell en Kruimeltje bestaat niet meer. Het vooroorlogse Rotterdam, zo levendig beschreven in de boeken van Chris van Abkoude, is weg. En heel lang was ook Van Abkoude zelf uit de geschiedenis verdwenen. In het Gemeentearchief viel nauwelijks iets over hem te vinden, en ook zijn boeken ontbraken er. Net als in de Openbare Bibliotheek ter stede. Ze waren, aldus een bibliothecaresse, onpedagogisch en verwerpelijk. Pas nu, eindelijk, lijkt het tij te keren. Er bestaan zelfs vergevorderde plannen voor een standbeeld van Van Abkoude, met Pietje Bell aan de ene en Kruimeltje aan de andere hand. Aan de drukke Hoogstraat, waar ze alle drie zo veel avonturen hebben beleefd.

Het late eerherstel is op gang gekomen door het recente kassucces van de films Pietje Bell en Kruimeltje, en door het activisme van boekenverzamelaar Jan Maliepaard en journalist René Zwaap van de Groene Amsterdammer. Meer dan een biografie is hun nu verschenen boek De vader van Pietje Bell een aanstekelijk staaltje pamflettisme. En het comité `De Zwarte Hand', waartoe zij het initiatief namen, bepleit niets meer of minder dan `de volledige rehabilitatie van deze grote Rotterdamse schrijver, wiens pionierswerk na bijna een eeuw van opperste verguizing eindelijk moet worden erkend'.

Maar ze hebben dan ook volop recht van spreken. Met zijn hyperactieve Pietje Bell schiep Chris van Abkoude in 1914 voor het eerst een jongensboekenheld die hardnekkig onaangepast bleef en geen moraal met zich meedroeg. Weliswaar spiegelde de schrijver zich aan het voorbeeld van C. Joh. Kieviet, wiens eerste boek over Dik Trom al in 1891 verscheen, maar er was een belangrijk verschil. Dik Trom was volgens zijn vader `'n bijzonder kind, dat is ie', terwijl vader Bell zijn zoon `een reuzentiep' noemde. Dik belandde wel eens in een netelig parket, maar kwam steeds tot inkeer. Pietje niet, die gaf de grotemensenwereld de schuld als hij in de problemen kwam. En zo werd Dik Trom door de opvoeders van toen geamuseerd beschreven als `een olijke snuiter' en `deze leuke kwajongen', terwijl Pietje Bell `geen verkieslijke vriend' heette. En dat onderscheid is nooit meer verdwenen.

Er is echter ook nog een praktische reden waarom Chris van Abkoude allengs zo'n vergeten figuur is geworden. De kapperszoon die in zijn boeken vaak teruggreep op zijn jongensjaren in het roerige Zandstraatkwartier, emigreerde al in 1916 naar Amerika – twee jaar nadat Pietje Bell, of De lotgevallen van een ondeugenden jongen verscheen. Alle zeven daaropvolgende Pietje Bell-boeken schreef hij in Amerika. Alleen zijn uitgever Kluitman hield hij op de hoogte van zijn reilen en zeilen. Verder ontbrak sindsdien in Nederland ieder spoor van hem. En het feit dat hij zichzelf in zijn nieuwe vaderland de naam Charles Winters gaf, maakte hem extra onvindbaar.

Een verdienste van Maliepaard en Zwaap is, dat ze juist over 's mans Amerikaanse leven onbekende bijzonderheden hebben ontdekt. Dat begint al bij zijn inscheping aan boord van de S.S. Noordam – niet met zijn vrouw en drie zonen, maar met een vriendin bij wie hij in New York twee kinderen kreeg. Ze was een sopraan die later nog met Toscanini heeft opgetreden. Dat ze na een paar jaar afstand deed van haar minnaar en haar beide kinderen, die vervolgens in het gezin van Van Abkoude werden opgenomen, doet de biografen onvermijdelijk denken aan de succesvolle concertpianiste die aan het eind van Kruimeltje (1923) de moeder van de kleine verschoppeling blijkt te zijn. En de man met wie ze dat kind had gekregen, wordt eveneens opgespoord; hij heeft zijn geluk in Amerika gezocht en is daar rijk geworden.

Rijk werd Van Abkoude zelf overigens niet. Aanvankelijk verdiende hij de kost als organist bij de zwijgende films uit die tijd – zo zag hij ook The Kid van Chaplin, die hem tot Kruimeltje inspireerde – en nadien kreeg hij een vaste baan als organisator van kindervermaak bij een charitatieve instelling. Maar na acht jaar maakte de beurskrach daar een eind aan. Tot het eind van zijn dagen hield hij zich in leven met kindervoorstellingen. Hij was goochelaar, buikspreker (zijn pop Tony leek een beetje op Pietje Bell), clown en poppenkastspeler. Zo hield hij het hoofd boven water. Toen hij op 79-jarige leeftijd stierf in een verzorgingstehuis in Lake Oswego (Portland), was hij niet straatarm, maar ook niet bepaald in goeden doen.

Des te wonderlijker zijn de verkoopcijfers die Maliepaard en Zwaap vermelden: in totaal anderhalf miljoen Pietje Bell-boeken en een half miljoen exemplaren van Kruimeltje. Men zou denken, dat dat meer moet hebben opgeleverd dan de bescheiden bedragen die Kluitman hem af en toe stuurde. Maar in de correspondentie geeft Van Abkoude blijk van een bijna roerende dankbaarheid. Zoals in mei 1947: `Vanmorgen kwam bericht van de bank dat uw cheque van $450 was aangekomen en ik stoof me daar met een vaart van nul komma zes in m'n ouwe benzine-wagen naar de downtown straten aan de andere kant van Alameda om de spijkers in ontvangst te nemen, wat zonder enige moeite gelukte. Onze vriendelijke dank daarvoor... Het zal goed te pas komen op onzen ouden dag... en we hebben uit vreugde over deze bonanza saampjes gefuifd met een extra kopje koffie en een aardbeientaart die Tante Annie gebakken heeft.'

Tante Annie was zijn echtgenote, die de twee buitenechtelijke kinderen van haar man in het gezin opnam en hem haar leven lang trouw bleef. Dat is ook zo'n beetje alles wat we over haar te weten komen, want veel intieme gegevens hebben de biografen niet kunnen vinden. Ook niet over Van Abkoude zelf. Hier en daar zijn ze noodgedwongen kortaf; vaak kunnen ze slechts gissen naar de zielenroerselen van hun hoofdpersoon.

Maar wel rijst hij uit hun beknopte relaas op als een man, die altijd wel weer een uitweg wist als de huishoudkas leeg raakte, en tot op hoge leeftijd hyperactief bleef. Een reuzentiep, kortom, die veel van zichzelf in Pietje Bell moet hebben herkend. Geen wonder dat hij in zijn boeken zo duidelijk partij voor zijn jonge helden koos. Ook hij moet de volwassen wereld hebben gezien als een verzameling drogisten die Geelman heetten, en die er alleen maar op uit waren het leven zo lusteloos mogelijk te maken.

Jan Maliepaard en René Zwaap: De vader van Pietje Bell. Leven en werk van Chris van Abkoude (1880-1960). Mets & Schilt, 128 blz. €14,–