Post uit het reservaat

Robbie Cornelissen maakt grimmige tekeningen met torren, poppen en martel- werktuigen: ,,Ik ben uit de hemel gevallen.''

ijn ouders kochten, toen ik een kind was, in Parijs een olieverfschilderij en hingen het in de huiskamer. Een donkere ondergrond waarop lichte kleurvlakken waren aangebracht met een plamuurmes, daarop een paar witte lijnen. Je kon er een landschap in zien: gebouwen, eventueel een brug, een spiegeling in het water. Vanwege een leerlingenuitwisseling tussen onze school en een andere christelijke school, kwam ik te logeren bij een gezin in Londen. In de woonkamer hing precies zo'n olieverfschilderij als mijn ouders op Montmartre gekocht hadden, maar dan op zijn kop. Dezelfde kleuren, dezelfde grootte, ook uit die beroemde buurt in Parijs.

Later zag ik in een nette galerie – de muren te wit en de mensen ook – een schilderij dat mij daaraan deed denken: olieverf opgebracht in lagen met een plamuurmes, een landschap dat je eventueel op z'n kop zou kunnen hangen. Sindsdien heeft de term `Montmartre-schilderij' voor mij een speciale betekenis. Er bestaat nog zo'n woord: coffeeshopkunst. Dat woord heb ik niet van mezelf, maar van mijn vrienden en studenten. Het is niet per se negatief, alhoewel het kan verwijzen naar de enthousiaste schilder die stoned de coffeeshop op de hoek kleurt in de veronderstelling iets prachtigs te maken. Maar wij hebben het woord inmiddels zo vaak gehoord en gebruikt dat het een positieve connotatie heeft gekregen: een ondeugend grapje, een spotwoord. `Coffeeshopkunst' is een geuzennaam geworden, die (net als het `Montmartre-schilderij') een term is om de vervaging tussen low and high culture aan te geven. Derderangs? Coffeeshopkunst is surrealistisch, freaky, een vleugje Cirque du Soleil en wat Jeroen Bosch. Coffeeshopkunst is jaren '70, stripachtig, cartoonesk, theatraal. En hip, wellicht.

Bij sommige tekeningen van Robbie Cornelissen popt het woord coffeeshopkunst in mij op. Maar ik zou zijn werk ernstig te kort doen door het hierbij te laten. Daarvoor is het te verscheiden, te kundig en te levenslustig. `Het elastisch potlood' is niet voor niets de titel die Meta Knol zijn werk meegeeft in Cornelissens boek Het Reservaat. Eerst had hij het idee: een hoeveelheid tekeningen onder de titel Het Reservaat. Maar al tekenend vroeg Cornelissen zich af wat zijn reservaat toch was.

De eerste tekening die ik zie, is groter dan ikzelf ben. Voor mij staat een figuur met gekruiste armen, een oude buik, een klein geslacht. De benen staan naast elkaar; een enkel wordt omklemd door een gillend aapje. Het gezicht van de oude is een masker, een kruising tussen een reptielenkop en een farao met duikbril. Droevige ogen kijken me aan, of de indringende blik van een zwerver op straat in de mijne vastklikt. De verschrompelde man staat verloren tussen houten stammen, patronen, ruiten en slangvormige lijnen. De psychedelische sfeer doet mijn haren overeind staan. Verdriet, omringd door rode en groene tranenvlekken. De tekening heet Vaders Reis en Cornelissen maakte deze een half jaar na de dood van zijn vader. Als ik er iets over vraag antwoordt hij: ,,Ik ben ook mijn vader.''

,,Een zelfportret?'' vraag ik. ,,Nee'', antwoordt hij. ,,Ik versprak me: ik ben zelf ook vader.''

Hemelse wereld

Robbie Cornelissen (1954) ging nadat hij was afgestudeerd als bioloog en ecoloog naar de Vrije Academie in Den Haag en daarna naar de Rietveld Academie. ,,De schilderijen van Cy Twombly waren voor mij de allermooiste die er bestonden'', vertelt Cornelissen over zijn Rietveld-jaren. ,,Die hemelse witte wereld, die dikke lagen witte verf die lucht vormden, die heldere hemel. Twee jaar lang heb ik dat nagemaakt. Ik leende zijn vorm, die man had zo'n eigen ecrituur, dat had ik nog nooit gezien. Ik wilde doorgronden hoe hij dat deed, al vonden mijn medestudenten en docenten dat helemaal niets. Maar ik ben Twombly niet en kan dus ook niet zo schilderen. Op de academie bestonden in die tijd allerlei doctrines: figuratief schilderen was uit den boze. Achteraf bezien waren wij allemaal epigonen, en ik was misschien de meest extreme.''

Cornelissen is een zachtaardige rustige man, met heldere alerte ogen. Eind jaren '80 werd hij ziek. Hij had een reis gemaakt naar Indonesië, liep daar een ontsteking op en lag vervolgens een jaar in bed. In dat bed zette Cornelissen zijn potlood op een papiertje en zonder na te denken maakte hij zijn eerste tekeningen: ,,Ik was zo moe en kon niets meer. Afschuwelijk. Soms maak je ongevraagd iets mee, waardoor je in contact komt met je binnenwereld. Ik begon met niets en wist niet wat er ging komen. De kleine beweging van het potlood op papier is zo anders dan het grootse gebaar van de schilder. Het potlood gaat rechtstreeks naar binnen. Ik kan mij bijvoorbeeld een reis door mijn lichaam voorstellen en de beelden vervolgens tekenen. Ik zie het voor me. Dat doe ik overigens niet altijd zo. Soms is een foto de grondslag van een tekening. Maar zelfs dan verandert gaandeweg de tekening: er komt van alles bij.''

Cornelissen werd langzaam beter en schildert sindsdien met potlood. De manier waarop zijn dunne potloodstiften het witte papier veroveren heeft veel weg van het grote schildersgebaar: het tekenplezier spat er vanaf.

De ene na de andere tekening verscheen. Sommige werden groter, systematisch en ruimtelijk. Vanaf 1996 ontstond de serie Het Reservaat, waar Cornelissen jarenlang aan werkte. De hippie-achtige afbeeldingen zijn verstikkend, akelig propvol. Het zijn tekeningen als te krap gekooide dieren. Indianen met een alcoholprobleem. Een reservaat met levende lijnen als afgeleefde lijven.

,,Blow je veel?'' vraag ik.

Cornelissen lacht: ,,Nee hoor. Natuurlijk heb ik wel eens wat uitgeprobeerd.''

Waarom ik die vraag stel? Het is dat psychedelische, zeg ik. De tekeningen in het reservaat zijn zo verschillend: coffeeshopkunst naast hersengymastiek. Zijn architectonische constructies zijn beredeneerd. Hier wordt het denken gekoesterd: vol zorg en liefde wordt er net als in de ecologie een systeem ontrafeld: soort bij soort, streep bij streep, nummer na nummer.

En dan zijn er ook nog tekeningen die zo groot zijn, dat ze je toestaan er als het ware in rond te wandelen. Neem The old factory, een potloodtekening van 1 bij 3 meter groot, opgebouwd uit fijne potloodlijnen. Staand voor het papier kun je zo een wandelroute uitstippelen. Je loopt de hal in langs buizen en hokjes. Boven je hoofd hangen katrollen, metalen staketsels. Je passeert een locomotief en een clownshoofd. Pijpen in de lucht, ramen met ronde bogen, stoffige tegels, een vliegwiel. Vlak voor je neus een ijl konijn en iets dat op een botsautootje lijkt.

Cornelissen: ,,De ruimtes die ik teken zijn ook mentale ruimtes. Een tekening als een gemoedstoestand. De fabriekshal is voor mij meer dan de plek. Als je gaat slapen gebeurt het wel eens dat je je voorstelt omsloten te zijn door een hele grote ruimte. Het kan je overvallen, zoals je voet die slaapt.''

Gigantisch

Ook het formaat van de tekeningen uit Het Reservaat is uiteenlopend: piepklein en gigantisch. Cornelissen bedacht eerst het idee en tekende. ,,Je richt een reservaat op om iets te beschermen, maar vervolgens zit je gevangen.'' Achteraf maakte hij een boek. Waarom een reservaat in een boek, wil ik weten. Cornelissen licht het toe: ,,Zes jaar lang was ik bezig. Het waren geen losse tekeningen: ze hoorden bij elkaar. Ik wilde ze gezamenlijk bewaren, in een groter geheel. Een wereld met vele gezichten. Soms voel ik me bijna schizofreen, omsloten door een muur. Alsof mijn binnenwereld conflicteert met de buitenwereld en mijn lichaam een reservaat is met een hek eromheen. Die tekeningen: dat is mijn post uit het reservaat.''

Zijn postpakketjes bestaan uit metersgrote perspectieftekeningen waarin een circus verrijst in een futuristisch landschap; waarin een piste of arena vreemde voorwerpen herbergt met vormen die middeleeuws aandoen. Ligt er een tor, een pop op zijn buik, een masker, een martelwerktuig? In Het Reservaat kan de sfeer grimmig zijn, ronduit naargeestig. Volgekrabbelde vellen met hondenklauwen, vleugels, duivelskoppen, een helleveeg met haar hellehond. Mickey Mouse krijgt tieten. Een geschubde vrouw met horentjes buigt zich vol leedvermaak over een verschrompeld lid. Hoe kan het dat er zulke diverse tekeningen uit hetzelfde potlood komen?

Cornelissen: ,,Bij die grote perspectieftekeningen heb ik van tevoren een plan, daar ligt een idee aan ten grondslag. Vervolgens werk ik maanden aan die ene tekening. Soms geeft het ter afwisseling veel plezier om zomaar ergens te beginnen zonder dat je weet waarheen de reis voert.''

Als ik zijn reeks abstracte tekeningen zie, klopt mijn hart sneller – dat dit niet kan, weet ik heus wel, maar het lijkt zo. Zo zijn er twee tekeningen die alleen bestaan uit getallen: honderden cijfers vormen samen een rechthoekig veld. Bonk. Bonk. En op de andere tekening verdwijnen de nummers in een tunnel. Bonkebonkebonk. Het getal als een hartslag.

In het boek Het Reservaat zijn details uitvergroot. Zoom: een stalen constructie, een houten poppetje. De circustent zie je van binnen en van buiten.

De kaft lijkt af te geven, alsof je vieze vingers zou kunnen krijgen van de potloodtekening die het omslag bedekt: alleen maar verticale strepen. Deze tekening heet Little boy pissing at the Universe. Daar bestaat ook een grote versie van: 400 bij 205 centimeter, die momenteel in Amersfoort te zien is. Wekenlang liep Robbie Cornelissen met een potlood in zijn hand langs de muur en weer terug – heen en weer. Kilometers ver, tot het vel vol was. Cornelissen wijst me op de tekening het ribbeltje aan, een oneffenheid in de muur van zijn atelier in Utrecht.

Cornelissen: ,,In de tijd dat ik op de Rietveld zat, was schilderkunst in. Nu zijn fotografie en tekenkunst populair. De opkomst van de computer, met teken- en fotobewerkingsprogramma's, heeft ervoor gezorgd dat mensen fantastische dingen kunnen maken. Waarschijnlijk verlangt men als tegenpool naar handwerk, naar de directheid van het potlood, naar de verbazing die een tekening kan oproepen.'' Ik vertel hem dat mij is opgevallen dat jonge programmeurs allemaal willen tekenen of tekeningen willen kopen.

Houtkachel

In het atelier van Cornelissen blijkt hoezeer deze ruimte overeenkomt met die op zijn tekeningen: daklicht doet het vertrek groter lijken, in het midden staat een zwarte ronde houtkachel. De werkruimte is smerig wit, overal op de grond ligt potloodstrooisel. De papiervellen op de grond, bedekt onder plastic in verband met lekkage, lijken tezamen op een groot beest dat uitgeteld in een hoek op de vloer ligt. Naast de muur waarop een immens papier is geplakt liggen zwarte hoopjes koolstof, restjes, sporen van potlood.

Zijn nieuwe werk is weer zo'n grote krankzinnige perspectieftekening: een bibliotheek bestaande uit duizenden lijnen. Een Harry Pottervertrek in potlood. De tekening doet ook denken aan de Ovale Zaal uit Nederlands oudste museum, het Teylers te Haarlem: oud, donker, statig. Dat klopt, zegt Cornelissen en van het een komt het ander. ,,Thierry de Cordier, een Belgische kunstenaar, creëerde een donkere aardse wereld'', vertelt de tekenaar. ,,Hij was voor mij de tegenpool van Twombly, de schilder met wie ik op de Rietveld bezig was. Samen waren ze voor mij de hemel en de aarde. Ik ben uit de hemel gevallen, op de aarde terechtgekomen door Het Reservaat. Grond onder mijn voeten. Ook letterlijk, want het papier waarop ik teken hing eerst aan de muur. Ik leg het op de grond om er verder aan te werken. En hang het weer op om er vanuit de verte naar te kijken.''

De hemel of de aarde. De wereld op zijn kop. Met een hek eromheen.

Werk van Robbie Cornelissen is te zien bij: CBK Provincie Utrecht Breestraat 1, Amersfoort (t/m 23 februari); Motive Gallery Burgwal 2, Haarlem (t/m 3 maart); Tekenen des Tijds, KW 14, Waterstraat 16, Den Bosch (t/m 30 maart)

Het Reservaat. Uitg. Centrum voor Beeldende Kunst Utrecht. Prijs €22.50

Website: www.robbiecornelissen.com

    • Ine Poppe