Jute een kwijnende bedrijfstak

De Nederlandse Jute Industrie (NJI) in Rijssen is failliet. Daarmee is er een einde gekomen aan het laatste textielbedrijf in Nederland dat zich volledig bezighield met de verwerking van jute.

De NJI is voortgekomen uit Ter Horst, een jutefabriek die in 1835 in Rijssen is gesticht. De jute-industrie was ooit een florerende bedrijfstak in deze Twentse plaats. De grondstof jute wordt voor 80 procent geïmporteerd uit Bangladesh.

Sinds bedrijven in Azië zich gingen bekwamen in de verwerking van jute, hebben de Europese jutebedrijven de één na de ander het loodje gelegd. ,,Jute is uit het Europese textielpallet verdwenen'', constateert C. Lodiers van branchevereniging VTN.

De NJI sloot ruim tien jaar geleden al haar spinnerij, waar jute tot garen werd verwerkt. De laatste jaren legde het bedrijf zich toe op het maken van `backings' voor linoleum. Forbo Krommenie was één van de belangrijkste klanten. Omdat Forbo en een Duitse klant (samen goed voor 80 procent van de omzet) steeds meer jute in het Verre 0osten inkopen, was een faillissement voor NJI onvermijdelijk. Jute wordt ook gebruikt voor decoratiemateriaal in bloemstukken, zakken en het omwikkelen van bomen.

De prijzen van de concurrenten uit Azië liggen zo'n 15 procent onder die van de NJI. In de jaren negentig wilde een juteproducent uit India NJI overnemen en ook onmiddellijk de productie naar Azië verplaatsen. Dat plan ging niet door.

Voor een sociaal plan ten behoeve van de 51 werknemers die door het faillissement van de Nederlandse Jute Industrie op straat komen te staan is geen geld.