IJshockey zoekt hulp uit Duitsland

In een poging de neerwaartse spiraal te doorbreken, heeft het Nederlandse ijshockey de hoop gevestigd op een Neder-Duitse competitie. ,,Niets doen betekent de ondergang.''

Twee jaar geleden opperde hij het idee al eens, maar Gerd Lindemann ontmoette toen louter meewarige en afkeurende blikken. Nu lopen zijn collega-bestuurders plotseling een voor een weg met de plannen voor een grensoverschrijdende ijshockeycompetitie. ,,Maar het is dan ook één minuut voor twaalf'', weet de voorzitter van Heerenveen.

Om de wegkwijnende Nederlandse competitie nieuw leven in te blazen, maakt Lindemann zich al enige tijd sterk voor samenwerking met clubs uit de Duitse grensstreek, verenigd in de eveneens noodlijdende Regional Liga (derde niveau in Duitland). Een krachtenbundeling met clubs uit de deelstaat Noordrijn-Westfalen in de vorm van een gezamenlijke competitie is volgens hem hét medicijn om de tanende belangstelling te bestrijden. Samenwerking wakkert de interesse van zowel geldschieters als tv-zenders aan, is zijn stellige overtuiging.

Met slechts vijf deelnemende clubs is de Superliga, de hoogste afdeling van het Nederlandse ijshockey, ten dode opgeschreven, weet Lindemann. Sponsors zien immers weinig of niets in een van spanning ontblote competitie waarin Amsterdam, Geleen, Heerenveen, Nijmegen en Tilburg oneindig vaak (minimaal tien keer) tegen elkaar spelen, en die in de landelijke media meestal niet verder komt dan het uitslagenblok. Niet voor niets weten de clubs slechts met veel kunst- en vliegwerk elk jaar opnieuw een bankroet af te wenden. Het is, kortom, gerommel in de marge.

Het Nederlandse ijshockey rest volgens Lindemann niets anders dan aansluiting zoeken bij de Duitse clubs uit de grensstreek. ,,Bij gebrek aan geld en aan spelers keren clubs als Utrecht en Den Haag op korte termijn niet terug op het hoogste niveau. Daarom moeten andere wegen inslaan. Niets doen betekent de ondergang, zo simpel is het. Dan doeken we de Superliga op en stellen we ons noodgedwongen tevreden met een handjevol recreanten dat af en toe de schaatsen onderbindt en een potje ijshockey speelt, en that's it. Ik neem geen genoegen met dat scenario.''

En wat is logischer dan samenwerking met clubs die zich op slechts een steenworp afstand bevinden en eveneens behoefte hebben aan een impuls, zo vraagt Lindemann zich hardop af. ,,Wij rijden nu al vijf keer per jaar driehonderd kilometer van Heerenveen naar Geleen. Als we dat kunnen, dan kunnen we ook naar plaatsen vlak over de grens.'' Bovendien: ,,Een grensoverschrijdende competitie past in de Europese gedachte.''

Hoewel Duitsland met de Deutsche Eishockey Liga (DEL) over de sterkste en dus commercieel interessantste clubcompetitie van Europa beschikt, is het in de lagere regionen net als in Nederland kommer en kwel. Sponsors laten ook daar het gestoei met puck en stick links liggen, zeker nu de Duitse economie haperingen vertoont en de regionale competities door aanhoudende financiële problemen eerder inkrimpen dan uitdijen.

Na aanvankelijke aarzelingen schaarde twee weken geleden ook de Nederlandse ijshockeybond (NIJB) zich achter het initiatief van de bezorgde Heerenveen-voorzitter, nadat een aantal clubvertegenwoordigers uit beide landen tijdens een informeel overleg in Nijmegen de intentie hadden uitgesproken het idee nader uit te werken. Acht van de negen Duitse clubs steunen zijn initiatief, beweert Lindemann, die eerder al een mandaat kreeg van zijn vier collega-voorzitters uit Nederland.

Tijdens een bijeenkomst in München ving NIJB-directeur Henk Hille gisteren evenwel bot bij zijn Duitse collega's. ,,Voor zover ik het nog niet wist, weet ik het nu zeker: de regionale bonden zijn autonoom. Met hen moeten we zaken doen, niet met de overkoepelende bond.'' Volgende week hopen Hille en bondsvoorzitter Jan de Greef een afspraak te maken met de collega's uit Noordrijn-Westfalen.

Een mogelijke sta-in-de-weg is het voornemen van de Duitse regiobonden om twee Oberliga's op te zetten. Maar dat plan stuit volgens Lindemann op verzet van de veelal armlastige clubs. ,,Die hebben geen geld om naar Rostock of Hamburg te reizen en voelen daarom meer voor korte reisafstanden, en dus voor Nederland.''

NIJB-voorzitter De Greef beweert ,,niet huiverig'' te zijn voor een Neder-Duitse competitie, maar plaatst ook kanttekeningen. ,,Waar we voor moeten waken zijn grote krachtsverschillen, voor wedstrijden die eindigen in 23-0. Dat zou funest zijn. Daarnaast moeten de regels op elkaar worden afgestemd. Dan denk ik vooral aan het tuchtrecht. Dat is geen sinecure.''

In navolging van Lindemann waarschuwen ook De Greef en Hille voor ,,een competitie die nergens om gaat''. Hille: ,,Uit het verleden, toen we wel vaker grensoverschrijdende competities hebben gehad, weten we dat niets dodelijker is dan een competitie die in feite niets meer is dan een serie veredelde oefenpotjes. Dan bedot je zowel spelers als publiek, en ben je nog verder van huis.''

Mede om die reden gaan Lindemanns gedachten uit naar een gezamenlijke bekercompetitie, waarbij de Duitse en Nederlandse clubs de dan behaalde punten `meenemen' naar het vervolg van de eigen titelstrijd. Hille pleit voor het model van de Noord-Amerikaanse profliga NHL. ,,In ons geval zou dat betekenen één Nederlandse en één Duitse divisie met clubs die wel tegen elkaar uitkomen. De behaalde punten tellen dan gewoon mee voor de eigen ranglijst.''