Hoe houd ik een lezing tussen kilo's korans

De Cairo International Book Fair is de grootste in zijn soort in de Arabische wereld, maar in de stad zie je niemand een boek lezen. Abdelkader Benali probeerde vorige week uitgevers te interesseren voor een Arabische vertaling van zijn roman `Bruiloft aan zee'. Desnoods als vies boekje.

Als ik na een half uurtje kletsen met de jonge, veelbelovende fotograaf Youssef Nabil (over de beeldend kunstenares Emin met wie hij dweept en door wie hij in Harper's Bazaar een talent van de toekomst is genoemd, over zijn eigen fotokunst die een mix is tussen Gilbert en glossy, over de irritante veiligheidsvoorschriften die hem worden opgelegd in Amerika als hij zijn geliefde New York bezoekt) eindelijk op de reden van mijn bezoek aan Kairo kom, valt het gesprek stil. Ik ben hier om op de jaarlijkse boekenbeurs in contact te komen met uitgevers die een Arabische vertaling kunnen verzorgen van mijn debuutroman Bruiloft aan Zee. Die is in negen landen te krijgen, maar niet in de Arabische wereld.

,,Ga jij er ook naar toe?'', vraag ik.

,,Nou nee'', zegt hij, met een wat vies gezicht.

,,Ik hou er een lezing, misschien dat daar een uitgever op afkomt.''

Hij knikt, duidelijk al een beetje ongeduldig door het onderwerp.

,,Jij leest zeker veel boeken?'' vraagt hij tenslotte. Bewonderend of misprijzend, dat is niet helemaal duidelijk.

,,Ja. En jij?''

,,Ik lees langzaam'', zegt hij. Paul Coelho, De Alchemist, was zijn laatste boek. Het kwam uit in 1988. Veertien jaar geleden.

Literatuur geeft maar weinigen vleugels in Kaïro. Een van de succesvolste Egyptische auteurs woont in een van de armste wijken. Men hoeft niet lang te zoeken naar een reden waarom de literatuur wel hooggeacht wordt, maar toch onaangeraakt terrein blijft. De nijpende levensomstandigheden, de censuur die volgens sommigen voortvloeit uit de onaanraakbaarheid van de koran, het ontbreken van een diepgegronde leescultuur onder de middenklasse, maken het schrijvers en lezers moeilijk.

Niet voor niets zoeken jonge kunstenaars in Kairo hun heil eerder in de film, artistieke `installaties' of fotografie. Ze kunnen zich daarin vrij uitleven en ook, indirect, hun maatschappijkritiek ventileren. En ze hoeven niet de vertaalslag te maken naar het buitenland. Jezelf in woorden uitdrukken is tricky business, want het woord is in de moslimwereld zoniet heilig dan toch in elk geval gewichtig. Nieuwe kunstvormen zijn veiliger.

Volgens de Economist-journalist Max Rodenbeck in zijn stadsportret Cairo. The City Victorious worden in de hele Arabische wereld jaarlijks minder nieuwe boeken uitgegeven dan in een klein land als België, al heeft iemand die over de drukke boekenbeurs rondloopt niet die indruk. Maar schijn bedriegt. De meeste mensen zijn op de boekenbeurs om te snuffelen en zich te vermaken, niet om naar een felbegeerde titel te speuren of zich te laten verrassen.

De Cairo International Book Fair, de grootste in zijn soort in de Arabische wereld, ligt een paar kilometer buiten het centrum. Een van de duizenden zwarte Lada's en Lada-achtigen tuft ons er vanuit het centrum voor tien pond (ongeveer 2 euro) naartoe. Het evenement vindt plaats op een gigantisch terrein van tenten en betonnen hallen, waar uitgevers en boekhandelaars hun titels aan de man brengen. Er hangt een lentezon die vergezeld gaat van een lentebries, de sfeer is volks en gezellig – Irak en de uiteengespatte Space Shuttle zijn ver weg; de beurs is een bazaar waar je korans en commentaar bij kilo's kunt kopen, maar als je de tijd neemt en de adressen kent, ook het werk van Anaïs Nin, de Perzische Brieven van Montesquieu of De Blikken trommel van Günter Grass (leverbaar in twee uitvoeringen: een officiële en een roofdruk). Er is zelfs de integrale tekst van de koran te koop op posterformaat: van een afstandje lijkt het een modern spierwit abstract schilderij, wie dichterbij staat, ziet in minuscule soera's het hele Heilige Boek opgeschreven. Bij de kraampjes met moslimliteratuur is het een komen en gaan van mannen met baarden. Een meisje zit lusteloos achter een bureautje de aankopen te noteren. Uit geluidsboxen schalt de preek van een imam op videoband: Allah zal de moslims wreken, Allah is met de Palestijnen, en trouwens ook met de Tsjetsjenen, tegen de joden, enzovoort. De imam komt zelf niet in beeld. De toehoorders op de videoband zitten er enigszins versuft en vermoeid bij. De fut is eruit, zo te zien.

Een overrompelende hoeveelheid pulp fiction staat op planken en in kraampjes stof te verzamelen. Corruptie, seks, geweld en occultisme wachten achter bedrieglijk onschuldige omslagen op lezers. Bijgeloof en ranzige verhalen doen het goed. In de hoeken van lege tenten staan kilo's bijeengepakte boeken op groothandelaren te wachten. Verder zijn er ruimten vol met de laatste Excel, Windows en andere software-handboeken. Verderop klinkt een cd met tientallen opgewekte kinderstemmetjes. Wat zingen ze? La-illahah-illa-Allah. `Er is geen God dan God.'

Met die islamitische zendingsdrang is de boekenbeurs in het recente verleden niet helemaal ongevaarlijk geweest. Halverwege de jaren negentig, toen het extremisme Egypte in zijn greep hield, werd een intellectueel vermoord kort na een optreden op de beurs waarop hij een antifundamentalistische satire verdedigde. Van die heftigheid is nu, na een keiharde campagne van de Egyptische overheid tegen de islamisten, weinig meer te merken – al kunnen ook de preken van verboden imams hier vrijuit worden gekocht. Maar meer dan om de boeken en de cd-roms, en meer ook dan om het geloof, is men hier om het plezier en de afleiding. De lust tot leven en elkaar (figuurlijk) aftasten, spat van de Kaireense jeugd af. Tussen de paviljoens stroomt het publiek over het festivalterrein, naar een volgend koopje of om ergens te eten of om tegen elkaar op te botsen in de almaar aanzwellende mensenmassa. Talloze meisjes met hoofddoekjes lopen hand in hand met vriendinnen, flirten met jongens. Af en toe kan er een vrouw in zwarte niqaab uit de massa gepikt worden. Maar: ik zie niemand die een boek leest. Niet hier, niet in de metro, niet in de cafés. En, op een wat oudere man in de hotellobby na, ook niet in de rest van Kairo.

Ik vraag me af wie er dan op mijn lezing zullen afkomen. Bij de fora met schrijvers en dichters zie ik vooral mannen van middelbare leeftijd en een paar vrouwen. Een gelegenheidsdichter bij een forum over de kracht van poëzie draagt met veel aplomb voor dat `het ware gedicht wordt geschreven met het bloed van de Palestijnse martelaren'. De toon van de discussies is soms fel, maar vaker lyrisch of docerend. Opvallend zijn de retoriek, de eindeloze monologen en een verhitte debatsfeer, vooral om frustraties te ventileren.

Egyptenaren geven je het gevoel dat je wereldberoemd bent, zegt mijn vertaalster en tolk van de avond, Sarah, als ze me na afloop van mijn lezing uit de menigte ziet komen. Wereldberoemd in Egypte, dat klinkt goed. En het ging ook goed, alhoewel het er niet naar uitzag. Tot een paar uur voor aanvang, wist niemand bij de organisatie van de boekenbeurs kennelijk van ons bezoek. In de VIP-ruimte, waar studentes rondlopen die van elke Arabische Benno Barnard, Paul Cliteur of Paul Scheffer het telefoonnummer en adres vragen, drinken we de thee die wordt aangeboden door een vriendelijke man die vooral duidelijk moet maken dat alles hier een kwestie van wachten is. Er wachten meer mensen, maar ze zien er niet uit alsof ze op hete kolen zitten. Een wat oudere spreker die waarschijnlijk zo op moet, geeft voor de vuist weg een lezing aan een dame. Maar wanneer mag ik? Met de thee wordt ook een batterij gsm's op gang gezet. Mensen worden weggestuurd en komen niet meer terug. De hoffelijkheid is grenzeloos en we hebben geen haast.

Omdat men `Dutch' verwart met `Deutsch' verwijst men ons naar de kraam van de Frankfurter Buchmesse. Daar worden we opgevangen door een Palestijnse journalist van de Duitse wereldomroep. Hij biedt ons koffie aan en we praten wat over de beurs. Hij is sceptisch over de beurs, en over mijn kansen om mijn lezing te houden. Om de tijd te doden, kruist hij in de festivalcatalogus alle landen weg die op de gastenlijst (`een vorm van wensdenken') staan, maar er niet echt zijn. Daar gaan ze: België, de Verenigde Staten, Italië, Mozambique. Burkina Faso heeft hij ook niet gezien, `maar dat kan aan mij liggen'.

Als we de koffie ophebben en het koekje gegeten, loopt hij samen met ons terug naar de organisatie. Hij maakt de welwillende mensen daar duidelijk dat we geen Duitsers zijn en echt op het programma staan. Dan is ook hij weg. Na lang aandringen en nog enkele gsm-gesprekken wordt er iemand bijgehaald die het zou moeten weten. Hij fleurt zichtbaar op van het buitenlandse bezoek, maar daar blijft het bij. Hij weet het ook niet. We lopen naar een tent waar lezingen worden gehouden. Het is nog geen vijftig meter, maar met een aantal gezellige werknemers van de boekenbeurs duurt het een eeuwigheid.

Als we voor de tent staan, precies om de hoek van het kantoor waar we uren hebben zitten wachten, blijkt mijn naam (bijna) keurig geschreven te staan op het programmabord en in het begeleidende boekje: `Abd al Qader Ben Ali', om zeven uur die avond. De mannen van de werkvloer wisten het, maar niemand van de leiding kon het ons vertellen.

Het vijftigkoppige publiek moet die avond lachen om de twee stukjes die ik met hulp van Sarah voorlees uit Bruiloft aan zee. Voor mijn ogen zweeft de twintigste druk in Arabische vertaling. Ik vertel over het dorpje waar ik vandaan kom, dat zo klein is dat zelfs de mensen die er wonen zijn vergeten hoe het heet. Het publiek grinnikt als ik zeg dat het beste dat mijn vader ooit deed, het verlaten van dat dorpje was. Ik vertel dat mijn missie om gepubliceerd te worden in de Arabische wereld niet ophoudt in Kairo. Ik heb het in Casablanca geprobeerd, tevergeefs, en ben nu hier voor een tweede poging. Als het me nog niet lukt om een uitgever te vinden, ga ik gewoon door naar Libanon. Gegniffel. Het ijs is gebroken.

Na afloop komen de echte vragen. Hoe zit het met de moslims in Nederland? Is het waar dat ze hun geloof niet mogen belijden? Iemand anders reageert op een stukje dat ik uit Bruiloft aan Zee voorlees, waarin ik het huwelijk als een recept voorstel waarin zowel de bruid als bruidegom krokant uit de oven gehaald moeten worden. ,,U heeft de man in uw lezing op zijn plaats gezet door hem in een sandwich te stoppen...'' Maar ik hoor zijn vraag niet meer. Hij wil praten over fictie, de analyse van de uiteenvallende familiebanden en het Palestijnse vraagstuk. Iemand vraagt of ik niet wat kan schrijven ,,over de islam en de Palestijnen''. We gaan ergens zitten, omringd door toehoorders. Dan gaat het echt los. Voor de zoveelste keer hoor ik dat het nog helemaal niet zeker is dat het moslims waren die in het World Trade Center vlogen. En trouwens, wisten wij wel dat allerlei wetenschappelijke bevindingen, zoals de positie van de baarmoeder en de verhouding tussen aarde en water allang in de koran stonden voordat het Westen erachter kwam? Ongevraagd schakelt het groepje – een oudere lerares, een studente psychologie met hoofddoekje en een jonge schrijver in wording – in de vijfde versnelling om de indruk weg te poetsen dat zij een minderwaardigheidscomplex zouden hebben. Maar hoe harder en luidruchtiger men het geloof verdedigt, hoe groter dat complex lijkt te worden. Oude wijn in nieuwe zakken. Er zit geen rek meer in. Ik ben moe. Ik wil terug naar het hotel.

Op weg naar buiten komen we de Iraakse, in Duitsland woonachtige, uitgever Khalid Al-Maaly tegen. Hij spreekt Duits. ,,Es ist alles eine grosse Schmutzigkeit hier'', zegt hij gelaten. Met zijn schouderlange zwarte haar, jezusbaardje, blauw linnen jasje en gevoelige maar gedreven ogen, is hij het prototype van de intellectuele uitgever, zoals je die tegenkomt in een film over het tragische individu dat maar niet wil verdwijnen in de massa. Hij kijkt neer op de beurs. Te veel mensen, te veel stof, te veel chaos. Hij gaat liever naar de boekenbeurs van Bahrein: ,,Da gibt's kein Censur''. Hij heeft geen hoge dunk van de Arabische leescultuur. ,,Bij de koran is het begonnen, maar dat is nu eenmaal een boek dat je niet mag bekritiseren.'' Het idee van een boek als sacraal object, heeft volgens hem grote gevolgen gehad. Je ziet het aan de manier waarop mensen omgaan met studieboeken: veel uit je hoofd leren, weinig kritisch nadenken.

Zou hij Bruiloft aan Zee willen uitgeven? Hij heeft in literaire kringen niet voor niets een klinkende bijnaam: `de martelaar'. Omdat hij zoveel moet lijden voor zijn uitgaven, en een ongelooflijke energie opbrengt om de censuur op het verkeerde been te zetten. Maar hij geeft ook méér uit dan vertaalde westerse klassieken – naar verluidt soms ook `vieze boekjes'. Ik vind Bruiloft aan Zee eigenlijk ook een vies boekje, zeg ik.

Hij brengt me naar zijn kraam, onder wapperend tentdoek, tussen verkopers van woordenboeken en vergeelde romannetjes. In zijn stand liggen Arabische vertalingen van Celan, Kant, Schopenhauer, Böll, Nietzsche en Günter Grass. Hij had ook een biografie aangeboden gekregen over de tweede man van Al-Qaeda, vertelt hij, geschreven door een Egyptische moslimbroeder, maar hij heeft ervan afgezien. De auteur wilde te veel geld, had de rechten ook al aan verschillende uitgevers verkocht. Ik probeer hem te verleiden een keer naar Amsterdam te komen om verder te praten.

Langzaam wordt mijn beeld van de Arabische boekenwereld helderder. Er zijn regels en wetten (ook voor auteursrecht), maar alles hangt af van netwerken, contacten en vriendendiensten. Je moet persoonlijke contacten hebben, liefst met een uitgever die door de staat wordt gesteund, zoals de vrouw van president Mubarak met haar inspanningen voor de literatuur allerlei goedkope edities mogelijk heeft gemaakt. En je moet de censuur omzeilen, zegt een docent van het Nederlands-Vlaams Instituut: ,,In de Arabische wereld kom je niet om politiek heen, ook niet in de letteren.'' Verboden boeken kunnen trouwens op de beurs ook makkelijk worden gekocht, zegt hij, als je weet waar je moet zoeken. ,,De beurs is vrij.''

De volgende dag, tijdens een praatje voor Nederlandse en Belgische studenten aan het Instituut uit ik mijn scepsis over de Egyptische uitgeverij. Ik word terechtgewezen door Nederlands-Iraakse docente. ,,Er is veel meer mogelijk dan je denkt'', zegt ze. ,,Alleen moet je de juiste mensen kennen.'' Ik werp tegen dat van een echte boekenindustrie geen sprake is, de economische belangen zijn klein in een land waar drieduizend exemplaren al een bestseller maken. En dan is er nog de censuur. De studenten vragen streng wanneer ik nu eens ophoud met het schrijven over migrantenproblematiek en overga op `algemene thema's'. En ga ik dat doen als schrijven over allochtonen niet voldoende succes meer oplevert? Ik vind het merkwaardig naïeve vragen: sinds wanneer gaat een roman over migratie, afscheid, vertrek en aankomst niet over `algemene thema's'? Ik concludeer voor mezelf dat het Arabische publiek in de stoffige spreektent in elk geval romantischer en misschien ook aandachtiger was.

Censuur. In dat lullige woordje zit de hele Arabische en Egyptische malaise verpakt en ook de reden waarom elk gesprek op het vorige lijkt. En ik besef dat het ook makkelijk praten is voor iemand die is opgegroeid in vrijheid en ongekende weelde. Bruiloft aan Zee zou als vies boekje veel succes hebben, misschien zelfs in roofdruk. Maar mijn stille wens is dat er wat meer mensen morrelden aan de vaste zekerheden en vooroordelen. De Egyptenaren zijn vriendelijk, maar braaf, misschien wel te braaf. Er doet een bekende mop de ronde over de Egyptische onwil om een revolutie te beginnen. Men verhoogt de broodprijzen. Niks gebeurt. Men verhoogt ze opnieuw. Niks. Men zet op elke straathoek een agent. Niks. Men zet op elke brug een agent die men iedere automobilist laat aftuigen. Weer niets. Men zet er twee neer. Dan gebeurt er iets. Een automobilist begint te klagen: dit is onbegonnen werk, er zouden niet twee agenten op de brug moeten staan maar drie.

Wat zou er gebeuren als de censuur – van kracht sinds de Noodwet van 1981, maar vaak nauwelijks merkbaar – opeens alle boeken verbood? Zou de Egyptische burger er iets van merken? Zou de yuppie-fotograaf Nabil demonstratief geen foto's meer maken?

Bruiloft aan Zee zal verschijnen in het Arabisch, ik weet het. Ik stel me voor dat een censor het boek ter hand neemt, zijn wenkbrauwen fronst en na een paar pagina's hardop moet lachen. Dat zou mooi zijn. Niet omdat dit nu het boek is waarop lezers in de Arabische wereld zitten te wachten, laat staan dat het een revolutie zou kunnen veroorzaken (hoeveel agenten op de brug zijn dáar voor nodig?), maar louter en alleen omdat het de lezer een blik op een andere wereld biedt waar hij in alle vrijheid hardop om kan lachen. En lachen zal de censor, of hij het boek nu gunstig of ongunstig gestemd is.

    • Abdelkader Benali