Gered uit een bar in Texas

George Bush junior trad aan te midden van scepsis en protesten. Inmiddels heeft hij zijn rol gevonden, schrijven twee insiders: de plaats van christelijk Amerika veilig stellen als enige supermacht in een vreemde wereld.

Het `Colin Powell-moment' in de Veiligheidsraad van de VN was vorige week het buisje poeder dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken tussen duim en wijsvinger hield. Dat was de smoking gun die de Amerikaanse regering de Veiligheidsraad, de wereld en vooral de eigen bevolking voorhield: de vijand is onder ons en kan ieder moment toeslaan. Een vergelijkbare kleine hoeveelheid miltvuurpoeder, zei Powell dramatisch, veroorzaakte eind 2001 de dood van twee postbeambten. Honderden mensen moesten medisch worden behandeld.

Wie van de Amerikaanse regering had verwacht dat zij de gemoederen toen of nu probeert te kalmeren, komt bedrogen uit. Integendeel: een week voordat Powell in New York de herinnering aan de miltvuur-paniek levend hield, sprak George W. Bush in zijn State of the Union de volgende onheilsboodschap uit: `Er is slechts een fles nodig, of een kist die dit land binnenglipt [...] om een dag van griezelen in dit land te veroorzaken zoals we nog nooit hebben gezien.' Eerder liet minister van Defensie Donald Rumsfeld weten dat Amerika voor de uitdaging staat zich `te verdedigen tegen het onbekende, het onzekere, het ongeziene en het onverwachte.'

Oude zuiden

Dat de regering-Bush in de ban is van de angst verbaast publicist Michael Lind niet. In Made in Texas schrijft hij dat Bush de eeuwenoude mentaliteit heeft van de grootgrondbezitter in het oude zuiden van Amerika. Zijn ranch is zijn fort, zijn wapens dienen ter afschrikking van (vermeende) vijanden die aan de poort rammelen en zijn bijbel is de munitie waarmee hij zichzelf en zijn naasten disciplineert en zich voorbereidt op het einde der tijden. Volgens Lind is Bush het boegbeeld van de radicale rechtervleugel die de Republikeinse partij in de jaren negentig heeft overgenomen. Het zuidoosten van de Verenigde Staten is het epicentrum van de partij geworden: Oost-Texas, waar Bush zijn Prairie Chapel Ranch heeft, behoort er ook toe. Kenmerken van radicaal rechts zijn volgens Lind militarisme, racisme, xenofobie en een rotsvast geloof. Bush, die kampte met een drankprobleem, is er op zijn veertigste toe bekeerd met behulp van dominee Billy Graham.

David Frum, voormalig tekstschrijver van Bush, citeert in zijn memoires The Right Man met instemming een vriend: `Iedere ochtend wordt Bush wakker met alleen de zekerheid dat hij vandaag geen alcohol zal drinken. Dat verklaart alles.' In een bijeenkomst met vijf religieuze leiders in het Witte Huis zei de president in september 2002: `Er is maar één reden waarom ik in het Oval Office zit, en niet in een bar. Ik heb het geloof gevonden. Ik heb God gevonden. Ik ben hier door de kracht van het gebed.'

Volgens Frum, een joodse Canadees en geestverwant van Amerikaanse neo-conservatieven, is Bush daarom de juiste man op de juiste plaats. Een disciplinerend geloof zou hem in staat stellen de wereld na 11 september 2001 het hoofd te bieden. Lind ziet dat anders. Volgens hem is het zuidelijke conservatisme van Bush `een kwelling voor het welzijn en de veiligheid van de wereld.' Kwelling of zegen, over één ding zijn Frum en Lind het desondanks eens: deze regering ziet de wereld buiten het Witte Huis (en de ranch) als een broedplaats van verderf.

Voor 11 september 2001 waren atheïstische progressieve Amerikanen, secular humanists, de vijand. Zij verspreidden `een cultuur van de dood' over Amerika: voor vrije abortus, voor stamcel-onderzoek en tegen `creationisme' als verklaring van het ontstaan van de wereld. Bill Clinton was de verpersoonlijking van deze cultuur, en hij was ook nog eens notoir ongedisciplineerd, had lak aan etiquette en hield van oeverloze betogen. In het hoofdstuk `The Un-Clinton' schetst Frum een treffend beeld van het Witte Huis onder Bush: blauwe en grijze pakken plus stropdas voor de mannen, rokken niet boven de knie voor de vrouwen. Vergaderingen beginnen en eindigen stipt op tijd. Ruzie is taboe, stemverheffing een zonde, loyaliteit een gebod. Het Witte Huis, schrijft Frum, werd letterlijk en figuurlijk schoongeveegd en -gehouden. Vertaling: geen lange nachten met pizza, friet en blikjes frisdrank, geen stagiaires die hun lingerie tonen.

De discipline is noodzakelijk, de rust maar schijn. Na 11 september 2001 is Bush immers in oorlog met een veel schimmiger en gevaarlijker tegenstander dan de geestverwanten van Clinton. Frum, die van plan was ontslag te nemen – hij was als tekstschrijver speciaal belast met economie en had weinig te doen nadat Bush in juni 2001 een belastingverlaging door het Congres had geloodst – ziet zijn kans schoon. Hij krijgt van senior-speechwriter, de christelijke fundamentalist Michael Gerson, de opdracht materiaal aan te dragen voor de State of the Union in 2002. Samen munten ze de frase `As van het Kwaad'.

Eigendunk

In het tweede deel van The Right Man gaat Frum uitgebreid in op kritiek dat het misplaatst zou zijn geweest om Noord-Korea, Iran en Irak in een adem te noemen als de belichaming van `het kwaad'. `Door het Irakese en Iraanse regime te vergelijken met de As in de jaren veertig' [Duitsland, Italië en Japan], schrijft hij, `daagde Bush alle Europese regeringen uit [...] de confrontatie aan te gaan met het [...] fascisme van de islamitische wereld.' Dat die landen daarvoor terugdeinzen, verbaast Frum niets: ze zijn jaloers op de cultuur en macht van Amerika. In de jaren zeventig en tachtig leefden Europeanen volgens hem in de veronderstelling en de verwachting dat de Verenigde Staten hun langste tijd als supermacht achter de rug hadden. Toen dat niet het geval bleek, probeerden ze na de val van de Sovjet-Unie Amerika onschadelijk te maken door het in te spinnen in een web van internationale overeenkomsten en verdragen. Deze `kostten de Verenigde Staten veel en leverden weinig voordeel op, maar door een combinatie van schuldgevoelens, een lage eigendunk en de behoefte te worden gezien als good guys, was een groot deel van de Amerikaanse elite bereid genoegen te nemen met een beperkte vrijheid van handelen'. Bush, schrijft Frum, `lijdt niet aan schuldgevoelens, hij heeft geen last van twijfel': hij zal in actie komen tegen de slechteriken. Doel is de vestiging van `democratie in de moslimwereld'.

Frum schetst als eerste medewerker van binnenuit een beeld van het Witte Huis onder George W. Bush. Alleen al daardoor is The Right Man waardevol. Verontrustend is het tweede deel van zijn memoires, waarin Frum zijn geopolitieke visitekaartje afgeeft. Het vertoont in grote trekken overeenkomsten met wat nu de `de Bush-doctrine' heet, in belangrijke mate geformuleerd door onderminister van defensie Paul Wolfowitz. Kern is de idee dat Amerika de enige wereldmacht is en moet blijven. Bij conflict of oorlog zijn bondgenootschappen met bevriende landen wenselijk maar niet noodzakelijk: Amerika kan het ook alleen af. De strijd tegen het terrorisme is van even groot belang als het onschadelijk maken van kwaadaardige landen die massavernietingswapens hebben of ontwikkelen.

Volgens Frum is het Midden-Oosten rijp voor democratie; er dient alleen te worden afgerekend met een even verderfelijke als ondemocratische elite die deze landen bestuurt. Of Bush deze visie deelt is niet duidelijk; wel prijst Frum de president om zijn moed `een halve eeuw van conventionele wijsheid over het Midden-Oosten en de wereld' van zich af te schudden. Eerste slachtoffer als het aan Frum ligt: `een Arafatistan op de Westelijke Jordaanoever'.

Christelijke fundamentalisten en joodse neo-conservatieven maken volgens Michael Lind sinds twee jaar de dienst uit in Amerika. De eersten trekken in het binnenland ten strijde tegen aanhangers van de evolutieleer; ze willen Darwin op school vervangen door de tien geboden. De laatsten zijn de architecten van het buitenlands beleid. Ze zien Israël als enige betrouwbare bondgenoot van Amerika; een land dat weet wat het betekent om omringd te zijn door vijanden en er niet voor terugdeinst naar de wapens te grijpen.

Visioen

George W. Bush is één keer in Israël geweest. Volgens Lind bad hij er met een joodse vriend dat `de tijd nabij is, door de profeten lang geleden voorzegd, dat wij samen zullen optrekken, één Herder en één kudde.' Dit is een chiliastisch visioen; net als zijn voorbeeld Ronald Reagan gelooft Bush dat het einde der tijden nabij is: Christus zal op aarde terugkeren en in Israël een duizendjarig vredesrijk stichten. En net als Ronald Reagan verlangt hij naar een onkwetsbaar Amerika, dat door een schild wordt beschermd tegen raketaanvallen van `schurkenstaten' en de grenzen hermetisch sluit voor terroristen met miltvuurpoeder in hun bagage.

In een analyse in het New York Times Magazine van 26 januari j.l. schrijft columnist Bill Keller in het begin van zijn onderzoek in de veronderstelling te hebben verkeerd dat Bush `Reagan-lite' was: een president met oppervlakkiger, ongeschoolde instincten in plaats van de `levenslange overtuigingen' van zijn oude voorganger. Keller eindigde zijn onderzoek in de overtuiging dat `Bush in zekere zin de verwezenlijking is van Reagan'. Bush als ideologische zoon van Reagan, als nieuwe vaandeldrager van Republikeins rechts, daarin heeft Keller ongetwijfeld gelijk. Deze boeken maken echter duidelijk dat Bush Reagans onbekommerde optimisme mist. Hij wantrouwt de wereld. Volgens Rumsfeld bevinden we ons in de eerste fase van `een tijdperk van verrassingen en onzekerheid, waarin plotseling opdoemende onverwachte dreigingen in toenemende mate een onderdeel vormen van onze alledaagse veiligheid.' Ieder buisje met poeder kan een ongekende day of horror veroorzaken.

David Frum: The Right Man. The Surprise Presidency of George W. Bush. Random House, 384 blz. €32,–

Michael Lind: Made in Texas. George W. Bush and the Southern Takeover of American Politics. Basic Books, 224 blz. €34,50