`Doctor Death' zaait verwarring

`Mogen er in een dagboek kutzinnen staan, ik bedoel in een dagboek dat je misschien zult publiceren?' Dit vraagt Kristien Hemmerechts zich af op bladzijde 10 van Een jaar als (g)een ander, haar inmiddels gepubliceerde dagboek. Ze werpt de vraag wel op, maar laat hem vervolgens onbeantwoord. Zo komen we ook niet te weten wat onder een kutzin verstaan moet worden. Een slordige formulering? Een snelle, ondoordachte opmerking? Een lukrake notitie in telegramstijl? Zo ja, dan wemelt het in Hemmerechts dagboek van de kutzinnen: onaffe, haastige zinnetjes die de indruk wekken tussen veel andere bedrijven door te zijn neergekrabbeld en nooit meer overgelezen. `Bart vanmorgen gebeld. Niet verteld van de verliefdheid. Weet nog niet of ik het zal vertellen.'

Wezenlijker nog dan de kwestie van de kutzinnen, waarvan de lezer zelf blijkbaar maar moet bepalen of ze erin hadden gemogen of niet, lijkt mij de vraag of een schrijver een dagboek wel in zo'n ruwe, onbewerkte vorm moet willen publiceren. Wat heeft een lezer eraan om te weten wanneer moeder Hemmerechts jarig is, of dochter Kathy zich dapper heeft gedragen toen haar verstandskies (kennelijk zonder verdoving) werd getrokken, of de Noordpool-expeditie waaraan Hemmerechts deel zou nemen niet is doorgegaan, waardoor ze uiteindelijk de Haydn-tournee (?) niet hoefde af te zeggen en of het moeizame huwelijk van haar stiefzoon na een tijdelijke opleving alsnog op de klippen loopt, of misschien toch nog gered kan worden.

Het is onduidelijk wat dit boek toevoegt aan wat ik nu maar haar officiële oeuvre zal noemen. Of het moest verwarring zijn over de manier waarop dat oeuvre tot stand komt. Op 12 april 2001 maakt zij melding van het schrijven met blauwe inkt, uit de pot Waterman waarschijnlijk, die pontificaal op het omslag staat afgebeeld. Maar op 8 april, vier dagen eerder dus, leek de inkt juist in de ban gedaan. `Werk nu rechtstreeks op computer.'

Besognes

En zo fladderen we van de ene naar de andere dag, waarin alles weer heel anders kan zijn. Nu eens in zak en as, dan weer vrolijk en tevreden over zichzelf. Vandaag heimwee naar haar overleden echtgenoot, morgen begint hij `erg lang geleden te zijn'. Hemmerechts is natuurlijk niet de eerste die op het idee kwam om haar dagelijkse besognes, en haar gedachten en gevoelens daarbij, een jaar lang van zich af te schrijven – en vervolgens aan de openbaarheid prijs te geven. Net zo min als Ronald Giphart, Boudewijn Büch en Rogi Wieg (in Privé-Domein) slaagt zij erin om die besognes om te zetten in meeslepende, prikkelende of amusante lectuur.

Aan haar leven zelf ligt dat niet. Dat is rijk aan gebeurtenissen en ervaringen. `Ik ben altijd flink en sterk moeten zijn', merkt ze op over haar jeugd die enigszins werd overschaduwd door haar schizofrene zus Veerle, die op haar vierentwintigste in een psychiatrische inrichting werd opgenomen, om er nooit meer uit ontslagen te worden. Sterk en flink is Hemmerechts nog altijd. Twee zoontjes stierven aan wiegendood en op haar veertigste was ze al weduwe, van Herman de Coninck, haar tweede echtgenoot. Maar `Doctor Death', zoals ze zichzelf noemt, ervaringsdeskundige, leeft dapper en onverschrokken voort, zij het ook met smartelijke herinneringen aan de overledenen.

Lui of sloom is ze ook allerminst. Ze loopt zelfs over van energie en daadkracht. Ze schrijft boeken, geeft les aan een universiteit en toneelopleiding, maakt plannen met een bevriende regisseuse voor films en filmscripts, denkt na over een toneelstuk, schrijft artikelen voor kranten en weekbladen, maakt regelmatig een reis naar het buitenland, een fietstocht op Madagascar onder meer, voert met andere schrijvers actie voor een nette prijsuitreiking aan Reve, woont verschillende begrafenissen bij, bemoeit zich met de nalatenschap van Herman de Coninck, heeft een bloeiende relatie met een nieuwe vriend en geeft lezingen in plaatsen als Harelbeke, Breda, Mol, Bergen op Zoom, IJsselstein, Arnhem, Oostende, Sint Niklaas en Ninove.

Rode draad

En tussen dit alles door schrijft ze in en aan haar dagboek. Geen wonder eigenlijk dat er zoveel kutzinnen in voorkomen en dat het zo'n kortademige, wispelturige indruk maakt. Aan het eind van het boek komt Hemmerechts ineens met een rode draad op de proppen, die alle eerdere aantekeningen met elkaar moet verbinden, tot een soort verhaal zelfs: de reis naar zus Veerle – die al vanaf het begin het thema zou zijn geweest. Het is niet erg overtuigend. De beschrijving van het lang uitgestelde bezoek aan de zus in de inrichting is te oppervlakkig en te summier om die cruciale rol te kunnen vervullen.

Ook in de rest van het dagboek komt de zus amper uit de verf. Niets komt hier echt uit de verf. Dat is het probleem met dit boek. We lezen iets over haar ouders en jeugd, iets over vertalen, iets over de Belgen, iets over de G8-top in Genua, iets over Sylvia Plath, Godfried Bomans en Thomas Mann, iets over Buenos Aires, iets over Bin Laden en – opmerkelijk genoeg – iets over haar recht op privacy. Er is bijna niets waar Hemmerechts niet even een krachtige uitspraak over doet, maar die krijgt ook een dag, een week of een maand later geen nadere uitwerking. De dubbelzinnige titel van haar dagboek zegt alles en niets. Is het nu een bijzonder of juist een heel gewoon jaar geweest? Hemmerechts heeft er blijkbaar geen mening over, net als over de (on)wenselijkheid van kutzinnen.

Kristien Hemmerechts: Een jaar als (g)een ander. Atlas, 380 blz. €19,50