Oliemarkt vecht vorige Golfoorlog

Kort, hevig en succesvol. Zo prijst de oliemarkt op dit moment een door de Verenigde Staten geleide aanval op Irak aan. Maar de krapte die de oliemarkt nu al kenmerkt, draagt het risico van een langdurige prijsstijging in zich.

Een forse, tijdelijke prijsstijging en dan weer hard omlaag. Dat is met een penseelstreek het scenario voor de olieprijzen dat op dit moment de boventoon voert naar aanleiding van de onzekerheden over een door de VS geleide aanval op Irak.

Daarmee lijkt de markt de vorige Irak-crisis in 1990-1991 te kopiëren. Destijds gingen de olieprijzen na de inval van Irak in Koeweit omhoog van rond de 15 dollar per vat naar bijna 42 dollar op 11 oktober. Daags voor de door de VS geleide aanval op Irak in januari 1991 stond de olieprijs nog altijd op 32 dollar per vat – even hoog als nu. Maar twee dagen na de aanval viel de prijs terug naar onder de twintig dollar, om de maanden daarna op dat niveau te stabiliseren.

Gaat het ditmaal weer zo? De markt vertrouwt er op. Dat is te zien aan de termijnstructuur van de oliemarkt. Olie voor levering binnen de eerstvolgende drie maanden is duur, met prijzen van boven de 32 dollar voor een vat Brent-olie. Maar olie voor levering in december kost nauwelijks meer dan 26 dollar. Een jaar geleden was die termijnstructuur vlak. Een vat olie voor levering binnen drie maanden kostte toen tegen de twintig dollar. Een vat voor levering in december van dat jaar ook.

De verwachting dat de olieprijs, net als twaalf jaar geleden, daalt als de aanval op Irak eenmaal achter de rug is, is dus stevig verankerd in de markten. Maar er zijn ook redenen om aan te nemen dat het script anders verloopt. Dat heeft twee redenen: de sterk veranderde omstandigheden van de oliemarkt en de olie-economie sinds 1991, en een ongelukkige samenloop van de huidige Irak-crisis met de verwoestende stakingen in Venezuela.

Tijdens een conferentie in Londen rekende olie-econoom Jeff Currie van de zakenbank Goldman Sachs vorige week voor dat de cumulatieve productie-uitval over het lopende halfjaar door de stakingen in Venezuela een van de grootste in de geschiedenis belooft te worden. Alleen de oorlog tussen Iran en Irak in de jaren tachtig en de Yom Kippur-oorlog tussen Israël, Syrië en Egypte in 1973 hadden een verhoudingsgewijs grotere invloed. Als bij het Venezuela-effect ook nog de productie-uitval in Irak wordt opgeteld, die zal optreden bij de mogelijke aanval op dat land, dan is de resulterende productieschok de grootste ooit.

Volgens Currie is er anders dan in 1991 veel minder capaciteit bij olieproducerende landen om extra olie te produceren. Dat komt met name door onderinvesteringen in productiecapaciteit, door de hoge schulden van met name Arabische landen en de lage olieprijs van de afgelopen tijd. Saoedi-Arabië bijvoorbeeld voerde destijds zijn productie op van 5,8 miljoen vaten naar 8,5 miljoen vaten per dag. In de huidige aflevering van de Irak-crisis produceert Saoedi-Arabië 8 miljoen vaten per dag, en heeft extra capaciteit van slechts 1,1 miljoen vaten. Heel OPEC heeft een capaciteit van 1,9 miljoen vaten per dag over. Dat is volgens Currie niet genoeg om de uitval van Iraakse productie op te vangen.

Daar komt bij dat de capaciteit voor olievervoer krap is. Het inzetten van de tankers die normaliter Venezolaanse olie naar de VS vervoeren is maar ten dele een alternatief. Olievervoer vanuit dat land doet er vijf dagen over, olie uit de Golf vijfenveertig, zodat verhoudingsgewijs veel meer tankercapaciteit nodig is. De `Venezolaanse' tankers zijn doorgaans ook een slag kleiner. Currie's onheilslijst gaat verder. De direct beschikbare voorraad van olieproducten in de Verenigde Staten bedroeg twaalf jaar geleden nog zo'n acht consumptiedagen, nu nog maar twee.

Beperkt aanbod, weinig extra productiecapaciteit, beperkt vervoer, lage werkvoorraden: zo zijn alle ingrediënten aanwezig voor een forse olieprijspiek als de vijandelijkheden eenmaal uitbreken. Goldman houdt rekening met een olieprijs van boven de 36 dollar, met een mogelijke piek van in de vijftig dollar als alles tegenzit.

De prijspiek kan worden tegengegaan door het snel op de markt brengen van de strategische oliereserves, een hoeveelheid genoeg voor minimaal drie maanden consumptie die de Westerse industrielanden aanhouden. Maar of dat zaligmakend is, is volgens Goldman Sachs twijfelachtig. Beperkte capaciteit van de pijpleidingen, ook gebruikt voor de overige olie-aanvoer, is daar een reden voor. Maar los daarvan zullen die strategische voorraden moeten worden aangezuiverd, en die extra vraag kan verhinderen dat de olieprijs na het conflict al te snel en hevig terugvalt.

Anders dan in 1991, toen de prijspiek van olie snel voorbij was, kan het huidige hoge niveau dus nog wel even blijven, met alle gevolgen voor de wereldeconomie van dien. Maar voorlopig gaan de oliemarkten daar zelf, gezien de prijvorming van olie op de termijnmarkt, nog niet van uit. Kort en hevig, zo staat de aanval op Irak in de planning, net als in 1991. Niet alleen militair is dat het best denkbare scenario. Dat is het ook voor de economie. Met nog maar ruim anderhalf jaar te gaan voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen is dat voor het Witte Huis reden te meer om het ook ditmaal kort te houden.