Nederland maakt een wereldvreemde indruk

Het lijkt niet meer dan een lijst van losse incidenten, maar misschien valt er toch een lijn in te ontdekken: in de veiligheidsmissers van de afgelopen tijd. Twee dagen voordat de Amsterdamse politie als gedienstig verkeersbegeleider bij de stijlvolle uitvaart van een Groot Crimineel zou optreden, was het op één dag driemaal raak binnen de veilige muren van justitie: een gijzelingsactie in een rechtbank in Arnhem, een zelfmoordpoging in een rechtbank in Assen, en een moord op een therapeute binnen een gevangenis in Leeuwarden. En dan hadden we de laatste maanden nog een paar maal een sensationele kunstroof, ondanks alle camera's en aanwezig beveiligingspersoneel, dat kennelijk niets heeft gemerkt – of misschien niets heeft willen merken?

In het licht van de dreigende oorlog in Irak liet de premier vorige week streng weten dat wegens mogelijke terroristische aanslagen een reeks van gevoelige objecten veel beter zou worden bewaakt. Daarbij drukte Balkenende iedereen op het hart, ook persoonlijk beter op te letten. Aan de duttende marechaussee in Brabant was die boodschap echter duidelijk niet besteed. Al het weekeinde daarop kon een eenzame dame ongezien over het hek van de vliegbasis in Volkel klimmen om in alle rust een paar communicatieschotels te molesteren voordat de wacht dat in de gaten kreeg.

Nederland heeft zo opnieuw een wat wereldvreemde indruk gemaakt. De vraag rijst of dit land mentaal wel voldoende voor de moderne tijd is toegerust. Bijna drie eeuwen lang vormde het een vreedzaam en veilig eiland in een woelige wereld, niet door burgeroorlog of ander grootschalig geweld geplaagd. Gevaarlijke roversbendes of maffiasyndicaten kwamen eigenlijk niet voor. Politici gaan en komen op de fiets – informateurs inclusief – en het pikantste zedelijkheidsschandaal uit de vaderlandse geschiedenis betreft een premier (Abraham Kuyper) die per abuis naakt voor het hotelraam zijn gymnastiekoefeningen deed, en niet sekskelders in de geest van Dutroux. De Nederlandse misdaad: dat was toch meer de wereld van de schattige inbreker uit `Ja zuster, nee zuster' dan die van Al Capone.

De internationalisering waaraan Nederland na de Tweede Wereldoorlog steeds meer ten prooi is gevallen heeft echter ook de misdaad in Nederland geïnternationaliseerd. Dat laatste was er door onze politici, toen de grenzen bij Schengen opengingen, niet bijverteld, maar vormt er wel de onvermijdelijke consequentie van. Afreke-ningen `in het milieu' zijn steeds gangbaarder geworden, en dat milieu is voor een deel in handen gekomen van de vertegenwoordigers van schietgrage culturen die van elders zijn geïmporteerd. En elders, waar eerwraak en bloedwraak nog welig tieren, ligt de geweldsdrempel nu eenmaal een stuk lager, en als een boef van de Balkan in onze polder domicilie kiest, volgt hij in de regel niet eerst een Nawijn-cursus Nederlandse gedoog- en vergadertechniek.

Aan die keerzijde van de mondialisering moet Nederland duidelijk wennen, en dat lukt vooreerst nog slecht. De bovengenoemde gebeurtenissen illustreren dat een zekere naïviteit de Nederlandse ordehandhavers niet vreemd is, en de gevaren regelmatig worden onderschat. Eén vrouwelijke hulpverlener zonder enige professionele bewaking op de achtergrond met gedragsgestoorde gevangenen in een ruimte alleen laten waar de hamers en beitels voor het oprapen liggen, is vragen om ongelukken. En in Amerika verschijnen gevaarlijke misdadigers voor de rechtbank gewoon geboeid.

Wat ons hier keer op keer opbreekt, zijn drie dingen. Allereerst houden wij traditioneel niet van rompslomp. Te veel voorzorgsmaatregelen – van een wegomlegging bij de Amerikaanse ambassade tot voortdurende pasjescontroles – ervaren wij als een storende onderbreking van ons dagelijks ritme. Gaat het dramatisch mis, dan worden ze eventjes geaccepteerd, maar gebeurt er vervolgens niets meer, dan verslappen zij direct. Iedere reguliere bezoeker aan het Mediapark in Hilversum weet het uit ervaring: na de moord op Fortuyn was legitimatiebewijs geboden en werd dit zorgvuldig bekeken. Inmiddels volstaat het op afstand met dat pasje te wapperen – en als je in plaats daarvan een kopieerkaart toont valt dat vast ook niet op.

Ten tweede houden wij niet van de met omslachtige beveiliging gepaard gaande akelige sfeer. Een geboeide verdachte voor de rechtbank, geüniformeerde bewakers bij een therepeutische sessie met gedragsgestoorde gevangenen: dat lijkt teveel op een echte rechtbank en op een echte gevangenis, en dat willen we niet. Dat is namelijk zo naar voor de betrokkenen.

Wij willen een prettige omgeving creëren, want dat werkt `deëscalerend', zoals wij ook in Srebrenica vooral niet met te zware wapens wilden rondlopen om geen nodeloze aanstoot aan de Serviërs te geven.

En ten derde zien wij hier de risicomijdende samenleving in praktijk. Wij willen niet meer ons hachje wagen, en dat geldt niet alleen voor gewone burgers, maar inmiddels ook voor de officiële bewakers. Liever niet ingrijpen als een schilderij wordt ontvreemd, ook al ben je juist in dienst genomen om dat te voorkomen – een schilderij is geen mes in je ribbenkast waard.

Ook internationaal opereren wij niet anders, en in het debat rond de uitzending naar Eritrea twee jaar geleden stond dan ook al snel de vraag centraal, hoe in geval van nood weer heelhuids weg te komen. Vooral geen grote risico's! Zoals een Nederlandse officier het in de meidagen van 1940 bij de Slag om de Grebbeberg op onovertroffen wijze in zijn dagrapport formuleerde: toen werd het levensgevaarlijk en dus trokken wij ons terug.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.