Nationale waterdag

De herdenking van de watersnoodramp van 1 februari 1953, bijna twee weken geleden, was indrukwekkend door de schrijnende herinnering, de ingetogen plechtigheid en de grimmige weersomstandigheden. Het televisieverslag was aangrijpend: koningin Beatrix trotseerde een sneeuwstorm, de uitzending werd verzorgd vanuit het watersnoodmuseum dat is ingericht in het caisson waarmee het laatste dijkgat, bij Oude Tonge op het Zuid-Hollandse eiland Goeree Overflakkee, werd gesloten. Historische beelden in zwart-wit toonden onbedoeld hoeveel er in vijftig jaar in Nederland is veranderd. De mensen, de kleren, de middelen van bestaan, het vervoer, de communicatie, de media, de hulpverlening, de dorpen en huizen, de desolate troosteloosheid van het landschap, het water. Het was een ramp uit een andere tijd.

Tegenwoordig bestaan er traumahelikopters, satellietverbindingen en rampenplannen, genieten extreme uitdagingen populariteit als vakantiebeleving en behoort het wijde water tot de belangrijkste recreatieve bestemmingen. Water is fun.

Nederland voelt zich veilig achter de dijken en de politiek koestert het poldermodel, maar het water blijft een element om geducht rekening mee te houden. Onder extreme omstandigheden kunnen zich opnieuw rampen voordoen. Met de voltooiing van het Deltaplan en met de toegenomen welvaart sinds 1953 hebben het zoute en het zoete water niets aan grilligheid ingeboet.

In de jaren negentig hebben zich twee bijna-waterrampen voorgedaan waar ze het minst werden verwacht. Niet aan de westelijke buitenkant langs de dijken en duinen van de Noordzee, maar vanuit het zuiden en oosten in de rivierdelta. Het water van de Rijn/Waal en de Maas bleek tot boven en over de dijken te kunnen komen. Na de dreigende overstromingen van 1995 is voortvarend gereageerd. Honderden kilometers dijken langs de rivieren zijn ijlings verhoogd en inmiddels liggen er plannen om overloopgebieden aan te wijzen die in geval van extreem hoge waterstanden kunnen onderlopen.

Rijkswaterstaat stuurt deze week een onderzoek over de veiligheid van de primaire waterkeringen (zeedijken en duinen) naar de Kamer. Daarin staat dat van de 3.558 kilometer zeeweringen de helft op orde is, vijftien procent (549 km) niet deugt en 35 procent nader onderzocht moet worden. Er is dus het nodige te doen, ook al gelden de veiligheidsnormen voor extreme situaties die zich eens in de 1250 (rivieren) of 10.000 jaar zouden kunnen voordoen. Het kost volgens Rijkswaterstaat vier miljard euro om alle dijken de komende twintig jaar deugdelijk te versterken.

Water is een publieke zaak. Er is geen sprake van liberalisering van het dijkbeheer. De overheid is verantwoordelijk en via de waterschappen, de provincies en Rijkswaterstaat aanspreekbaar. De waterschappen kennen een door de directe belanghebbenden gekozen bestuur. Op achterstallig onderhoud kan de overheid dus aangesproken worden. Hetzelfde geldt voor de riolering, die de verantwoordelijkheid is van lagere overheden. Het stelsel van rioolbuizen is belangrijk voor de afvoer van onder meer regenwater. Maar de investeringen in het onderhoud zijn sterk verwaarloosd, waardoor het rioolstelsel op veel plaatsen grote gebreken vertoont.

Stroomstoringen in het geliberaliseerde energienet krijgen meer aandacht dan de risico's van dijkdoorbraken of gebreken van de riolering. Het verschil in perceptie wordt veroorzaakt doordat iedereeen dagelijks elektriciteit gebruikt, de kans op een dijkdoorbraak statitisch klein is en over lekkende rioolbuizen al helemaal niemand zich druk maakt.

Water vormt niet alleen maar een fysieke bedreiging. Het is ook onderdeel van het landschap, het speelt een rol in het milieubeleid, in recreatie en nog veel meer. Er is slib dat moet worden weggebaggerd, er zijn de ongewisse gevolgen van de klimaatveranderingen, zowel voor de zeespiegel als voor het volume van het rivierwater, er is de kwaliteit van het oppervlaktewater en de vraag naar schoon water voor de industrie en consumptie. Water is business en een actief waterbeheer vraagt om investeringen in technieken en infrastructuur die een bijdrage leveren aan de economische groei.

De overheidsinstanties die betrokken zijn bij het water zijn deze week een publiekscampagne begonnen met advertenties om het `water weer op de kaart' te zetten. De campagne gaat vijf jaar duren. Er is meer mogelijk. In het herdenkingsprogramma over de watersnood deed Kees Slager, auteur van een veelgeprezen boek over de ramp, het voorstel om 1 februari uit te roepen tot nationale waterdag. Zijn voorstel verdient alle steun. Er bestaan speciale dagen in het kader van ideële, maatschappelijke of commerciële doelstellingen, van Valentijnsdag en secretaressedag tot aidsdag en Koninginnedag. Met water is Nederland ten diepste verbonden. De beheersing van het water vormt één van de wezenskenmerken van de geschiedenis van de Nederlandse samenleving. Eén dag per jaar stilstaan bij de betekenis van water kan hieraan uitdrukking geven. Zo kan de herinnering aan de ramp van 19953 levend gehouden worden en wordt niet vergeten dat Nederland altijd de strijd met het water moet voeren.

Te denken valt aan een nationale dag waarop de herdenking van slachtoffers, discussies over bescherming tegen zee- en rivierwater, het beheer van duinen en dijken, de symboliek van nationale saamhorigheid aan de orde kunnen komen. Kroonprins Willem-Alexander, die zich toelegt op de zaak van het watermanagement, kan zich hier actief mee gaan bezig houden. Hij is een voor de hand liggende protagonist om te bereiken dat 1 februari tot jaarlijkse nationale waterdag wordt uitgeroepen.

rjanssen@nrc.nl

Gerectificeerd

Waterdag

In de column Nationale Waterdag (13 februari, pagina 6) staat dat de tv-uitzending van de watersnoodramp werd verzorgd vanuit het watersnoodmuseum, ingericht in een caisson waarmee het laatste dijkgat, bij Oude Tonge op Goeree Overflakkee, werd gesloten. Die caisson ligt echter nabij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland. De herdenkingsdienst van de ramp was in Oude Tonge.