Migranten verdienen beter lot

Veel jonge allochtonen hebben het gevoel er niet bij te horen. Daar moet wat aan worden gedaan. Dat kan alleen wanneer allochtoon en autochtoon samen optrekken om problemen te lijf te gaan, betogen Sadik Harchaoui en Halim El Madkouri.

In de migrantenpolitiek heeft de cultus van vermijding het sinds 11 september 2001 afgelegd tegen een keiharde confrontatiepolitiek. Die confrontatie helpt reële problemen op tafel te krijgen bijvoorbeeld de jeugdproblematiek in de grote steden, de omgang van sommige (kinderen van) migranten met homoseksuelen en joodse medeburgers, de achterblijvende emancipatie onder bepaalde groepen, of geloofsopvattingen onder bepaalde imams. Het is goed dat er, zonder de sociaal-economische kant te verwaarlozen, aandacht is voor culturele, etnische of politieke kwesties.

De wijze waarop dit debat thans wordt gevoerd, is echter onnodig grievend. Iedereen wordt over één kam geschoren. Over en weer ontstaat kortzichtige polarisering. De kritiek van `autochtoon' Nederland is geconcentreerd op personen die problemen veroorzaken en organisaties die hun plicht verzaken. Debedoeling komt echter niet over. Migranten en hun kinderen ervaren het onbehagen, de angst, de ontevredenheid en het ongeduld die naar boven komen, vooral als onheus, denigrerend en vernederend. Zij trekken zich terug in de `vertrouwde' omgeving. Hierdoor dreigen de sociale afstand en interetnische vijandigheid toe te nemen.

Vooral jonge allochtonen hebben het gevoel dat ze er niet (meer) bij horen. Ze hebben zichtbaar last van de feitelijke assimilatiedruk op scholen, in het publieke domein, de pers en de politiek. Zij krijgen geen ruimte om jong te zijn of op hun eigen wijze volwassen te worden en vorm te geven aan verzelfstandiging, emancipatie en (hybride) identiteiten. Voortdurend brengen wij ze in nutteloze loyaliteitsconflicten, terwijl deze jongeren in hun zoektocht naar volwaardig burgerschap buitengewoon kwetsbaar zijn.

We zien de problemen die een klein aantal allochtone jongeren veroorzaakt, maar we sluiten onze ogen voor het existentiële probleem van de overgrote meerderheid. Ze voelen zich buitengesloten. Het zou een grote denkfout zijn om deze wezenlijke behoefte `om ergens bij te horen' te miskennen. Deze jongeren zijn vitaal, mondig, geïntegreerd en hebben in vergelijking tot de eerste generatie(s) in luttele jaren indrukwekkende sociaal-economische resultaten behaald. Natuurlijk, er zijn nog steeds de achterstanden op menig gebied, maar een positieve grondhouding is gerechtvaardigd.

Zoals de autochtone Nederlander niet collectief verantwoordelijk is voor de wandaden van bouwfraudeurs of spreekkoren in stadions, zo is de Turkse Nederlander dat niet voor een geval van eerwraak en de Marokkaanse Nederlander niet voor elk straatschoffie in Amsterdam.

Jongeren reageren op veel manieren: van een rapsong tot radicalisering, van vrijwilligerswerk als mentor, coach of huiswerkbegeleider tot steun voor de Arabisch Europese Liga (AEL). Wie de polarisering en radicalisering wil keren, moet beginnen de (gevoelens van) uitsluiting te bestrijden. Met name bepaalde religieuspolitieke invloeden op jongeren – die hiermee historisch gezien geen enkele affiniteit hebben baren zorgen. Maar de paniekreacties vanuit de samenleving en de ondoordachte uitspraken en beleidsintenties van sommige gezagsdragers vergroten het isolement van hiervoor ontvankelijke jongeren die doorgaans niet gemarginaliseerd zijn. Een doorbraak is niet in zicht. Daarom heeft de AEL zich zo eenvoudig kunnen verankeren, op de golven van een overtrokken media-aandacht.

Als reactie is vaak de gratuite mantra `de allochtonen moeten hun eigen verantwoordelijkheid nemen' te horen. Maar de huidige integratieproblemen waarover nu zo'n morele paniek ontstaat, zijn tijdig gesignaleerd en vaak al jaren geleden in rapporten beschreven. De overheid heeft in het verleden te vaak ervoor gekozen om niet in beweging te komen. Met name de allochtone jongeren plukken nu de wrange vruchten van deze inertie.

Problemen als discriminatie, uitsluiting, radicalisering en interetnische vijandigheid kunnen alleen in gezamenlijkheid worden beantwoord. Volwaardig burgerschap of loyaliteit aan de Nederlandse democratische rechtsstaat kan niet door een pragmatische visie betreffende assimilatie worden afgedwongen. Jonge mensen moeten de kans krijgen dit te leren en zich eigen te maken.

De civil society zou een uitstekende leerweg kunnen zijn, ware het niet dat juist het maatschappelijk middenveld aanzienlijk is afgebouwd. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid constateerde vorig jaar dat de afbraak van sociale bewegingen, de geringe aantrekkingskracht van politieke partijen, vakbonden en sportverenigingen zich in het bijzonder wreekt als het gaat om migranten en hun kinderen. De meeste migrantengroepen hebben een buitengewoon zwak ontwikkeld seculier maatschappelijk middenveld, terwijl een aantal religieuze organisaties vanaf de jaren tachtig beleidsmatig de ruimte kreeg.

De roep om afbraak van zogenoemde `allochtonenorganisaties' is dan ook ondoordacht. Juist deze organisaties zijn nodig om bruggen te slaan en jongeren aan onze samenleving te binden. Daarvoor is overigens wel nieuw elan en een nieuwe visie vereist bij die organisaties, en misschien ook wel een wisseling van de wacht en de macht.

Herschikking en afbraak van de civil society in een ontzuilende samenleving ten faveure van privatisering en marktwerking, juist in de periode dat migranten in Nederland hun weg zochten, is uiteindelijk een ongelukkige combinatie gebleken. Emancipatie geschiedt doorgaans op eigen kracht, maar niet in isolement.

Als de verschillen uitvergroot blijven worden, als de polarisatie op landelijk en lokaal niveau aanhoudt, wordt het moeilijk te ontsnappen aan armoede, etnische conflicten, interetnische vijandigheid, religieus extremisme. Hoe lang blijven wij hameren op het feit dat jongeren anders of vreemd zijn, terwijl we de successen van een in omvang groeiende groep niet benoemen en stimuleren? Hoe lang blijven wij tolereren dat jongeren worden geweigerd van publieke plaatsen waar interculturele ontmoeting juist ongedwongen kan zijn? Hoe lang blijven wij wachten met het verminderen van de grootschaligheid in het onderwijs, zodat jongeren de kans krijgen zich te binden aan hun school en hun docent? Hoe lang blijven we iedereen over één kam scheren? Hoeveel wantrouwen kan een jongere verdragen?

Het enige alternatief is de ontwikkeling van nieuwe maatschappelijke verbanden waarin autochtonen én migranten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor gemeenschappelijke problemen. Daarom moet snel worden geïnvesteerd in versterking van de civil society. Maak van bewonerscommissies, buurthuizen, welzijnscommissies, bestuursorganen, sportverenigingen, scouting, inspraakorganen het voorportaal van een multi-etnische civil society. Op deze wijze zal interculturele ontmoeting gericht zijn op volwaardig burgerschap en het kweken van gedeelde waarden. Aangezien we juist daarin óók de tweede en derde generatie migrantenkinderen nodig zullen hebben, doen wij er goed aan hen niet van ons te vervreemden door minachting of (onbedoelde) vernedering.

Sadik Harchaoui is onderzoeker op het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtwetenschappen en tevens voorzitter van het Marokkaans Nederlands Interactieteam Jeugd en Halim El Madkouri is afdelingshoofd bij het Multicultureel Instituut Utrecht en tevens secretaris van het Marokkaans Nederlands Interactieteam Jeugd.

Morgen vinden in De Balie in Amsterdam debatten plaats over stigmatisering van Marokkaanse jongeren. Zie: www.balie.nl