Brandsens `Carmen' is levendig en sterk

Met een zelfbewuste blik prijkt Igone de Jongh op het boekje van Carmen, het nieuwe programma van het Nationale Ballet. De lange benen onder een felrode jurk, de donkere haren nonchalant langs het gezicht vallend, de handen met rood gelakte nagels rustend op de knie. Zo is zij op en top de Carmen die Ted Brandsen in zijn gelijknamige ballet op het toneel zet. Een zelfstandige vrouw die zich laat meevoeren door haar passies, er mee speelt, maar er altijd controle over houdt.

Brandsen maakte zijn Carmen, op muziek van Rodion Shchedrin, voor het Australische gezelschap dat hij leidde voor hij in 2002 bij het Nationale Ballet terugkeerde als adjunct-artistiek directeur. Volgend seizoen neemt hij de leiding over.

Brandsen is een van de weinige hedendaagse choreografen die het aandurft een recht-toe-recht-aan verhalend ballet te maken zonder quasi diepgaande filosofieën en maatschappelijke boodschappen; toegankelijk voor een groot publiek. Zijn bewegingstaal is geënt is op de klassieke techniek, zonder de steriliteit van pure vorm om de vorm.

Zijn Carmen is niet Spaans, wel één die de snel oplaaiende hartstochten van Zuid-Amerikaanse culturen ademt. In een massief viaductcomplex komen jongeren bij elkaar en ontwikkelt zich het drama tussen de felle Carmen, de verliefde soldaat José, en de branieschopper Escamillo. De karakters zijn sterk neergezet, de groepsscènes zijn levendig, de danstaal is gepassioneerd en ruim. Brandsens choreografie is niet vernieuwend maar wel inventief en met bewegingen die als vanzelfsprekend uit elkaar voortkomen.

Igone de Jongh is danstechnisch en wat interpretatie betreft een voortreffelijke Carmen. Zij ontwikkelt zich steeds meer tot een prominent danseres met een ware solistische allure. De José van Fedérico Bonelli was heel overtuigend, en de Escamillio van Altin Alexandros Kaftira had de brutale uitstraling en de technische brille die bij sportidolen hoort. De hele cast voelde zich uitstekend thuis in deze Carmen, die zeker een blijverdje in het repertoire zal worden.

Het mysterieuze, nieuwe werk van de tweede huischoreograaf Krzysztof Pastor, Si después de morir, gaat over de dunne scheidslijn tussen leven en dood. Het is gebaseerd op een gedicht van de Spaanse dichter José Angel Valente en de muziek van Mauricio Sotelo. Drie paren reflecteren in hun tederheid, wanhoop en gedeelde eenzaamheid hun bijna voorbije levens. De twee centrale mannenfiguren, uitstekend gedanst door Jahn Magnus Johansen en Rubinald Rofino Pronc, laten de tegenstrijdige kanten van de mens zien. Hun duetten zijn opgebouwd uit perfect samengaan, worsteling en onvervulde dromen. Pastor is een choreograaf die prachtige en pregnante sferen weet op te roepen zonder dat die echt te duiden zijn. Het is geen makkelijk werk, wel dwingend, en om meerdere keren gezien te worden. Onder indrukwekkende en schrijnende zang van flamengozanger José Arcàngel, wordt het door de acht dansers met grote intensiteit uitgevoerd.

Het programma werd aangevuld met Van Manens evergreen 5 tango's uit 1977, op muziek van Astor Piazzolla, dat in al zijn gestileerde eenvoud honderdmaal meer erotische spanning heeft dan menige eigentijdse seksvertoning.

Voorstelling: Carmen, door het Nationale Ballet. Nieuwe werken: Carmen van Ted Brandsen en Si después de morir van Krzysztof Pastor. Reprise: 5 tango's van Hans van Manen. Muziek: Holland Symfonia o.l.v. Gary Berkson en Sexteto Canyengue o.l.v. Carel Kraayenhof. Gezien 12/2 Muziektheater Amsterdam. Aldaar t/m 2/3. In Utrecht op 4/3.