Lieve kat, lieve zak

Het leven is zo onrechtvaardig dat het gek is dat daar niet nog veel vaker over wordt geschreven. Toeval en willekeur hebben de teugels in handen, botte pech kijkt regelmatig om de hoek.

Neem de liefde. Hoe gaat dat? Mensen krijgen een oogje op elkaar in een gezelschap waar de ander toevallig de leukste is, of de enige die nog vrij is. Zij maken nader kennis bij kaarslicht, en rollen in benevelde toestand in elkaars armen. Als de roes is uitgeslapen, de mist opgetrokken, zijn zij getrouwd en hebben anderhalf kind, anderhalve baan, een huis en een caravan.

Onlangs schreven de kranten over het proefschrift van een psycholoog, dat ieders somberste vermoedens omtrent het huwelijk bevestigde. Bij het nemen van de belangrijkste beslissing van hun leven blijken de mensen over het algemeen geen notie te hebben van wie de ander is. Bijna iedereen koopt een kat in de zak.

Het deed denken aan de – meestal sociaal-wetenschappelijke – onderzoeksresultaten die zo nu en dan bekend worden, en die bijvoorbeeld aantonen dat de rijken gezonder zijn en ook nog langer leven dan de armen. Of dat kinderen uit nare buurten minder goede cijfers halen op school. Zulke krantenberichten leiden soms tot Kamervragen, en dat is ook heel goed, want in een zorgzame samenleving hoort dat soort verschillen zo klein mogelijk te worden gehouden, of gemaakt.

Maar dit proefschrift was in zekere zin erger, want het ging over het karakter van mensen, en de invloed daarvan op hun intieme relaties. Het bleek dat wie `goed in zijn vel zit', wie blij is met zichzelf en het leven, ook in de liefde gelukkiger is. Dat is pas onrecht. Maar wie kan daar Kamervragen over stellen, wat kan een samenleving, hoe zorgzaam ook, eraan doen?

De vreselijkste platitudes, te lezen in de kennismakingsadvertenties in de zaterdagkrant, waar gelukzoekers voor goud geld verkondigen hoe uitstekend zij het met zichzelf hebben getroffen, en dat zij als toefje slagroom op de taart een levenspartner zoeken, zijn dus psychologisch correct. De wetenschap staat achter al die zelfvoldane hebberds.

Wreed meldde de jonge doctor nog dat de neuroten, de binnenvetters en de onzekeren niet te veranderen zijn. Op z'n best kunnen mensen ermee leren leven. Als ze tenminste van elkaar houden – nee, zo schrijven psychologen niet, maar daar kwam het op neer. Ten overvloede merkte hij op dat je beter goed ruzie kunt maken dan onder een donderwolk van ongemaakte ruzies leven.

En toch. Deze oude geschiedenis, die (zoals de dichter zegt) altijd weer nieuw is, vooral voor degene wiens hart erbij breekt, heeft wel degelijk een hoopvolle kant. Want als het waar is, als willekeur regeert en mensen blindelings met elkaar in zee gaan – wat zijn er dan nog ontzettend veel huwelijken niet gestrand, veel huizen zonder donderwolken! Hoe kan dat, na de loterij van de partnerkeuze?

Het antwoord is vertrouwdheid. De meeste paren blijven bij elkaar omdat ze bij elkaar blijven. Ze zijn aan elkaar gewend, en dus gehecht. Ze hebben kinderen, ze maken er het beste van. Het is een ontroerend feit, het zal wel instinct zijn, iets heel primitiefs. Mensen kopen een kat in een zak en gaan ervan houden, van de kat en van de zak erbij. Het is behelpen want het leven is niet volmaakt, maar het is ook wel gezellig, zoiets. Een ruime meerderheid van de huwelijken is niet ongelukkig, en het komt zelfs voor dat ze, na een tijdje ongelukkig te zijn geweest, weer beter worden. Een troostende gedachte in deze onheilszwangere tijden.