De opstand tegen Bush

Er groeit een opstand in West-Europa. Iedere dag wordt dat duidelijker. Nu lijkt het alsof het om de steun aan de Turken gaat, als het tot de oorlog tegen Irak zou komen. In werkelijkheid hebben de Belgische, Duitse en Franse regering Turkije gebruikt als instrument om zich tegen de Amerikaanse politiek te verzetten. De Turken zullen in geval van nood niet in de steek worden gelaten, en het voortbestaan van de NAVO raakt er niet door in gevaar. Het verzet heeft intussen zijn doel bereikt. Washington weet dat deze drie landen zich niet volgens de inzichten en de aanwijzingen van de Amerikaanse president en de zijnen in het gareel laten commanderen.

In de Veiligheidsraad groeit de steun voor het plan van Frankrijk, Duitsland en Rusland om de wapeninspecties grootscheepser en grondiger aan te pakken en de termijn te verlengen. Op deze manier zou een feitelijk containment worden bereikt, en met handhaving van de militaire druk de oorlog verder uitgesteld.

Het probleem ligt dan in deze handhaving. Want die is te danken aan de geloofwaardigheid van de Amerikaanse bereidheid tot oorlog. Er komt een ogenblik waarop de geloofwaardigheid weer afneemt, namelijk als het punt wordt bereikt waarop Saddam ervan overtuigd is geraakt dat het uitstel in afstel is overgegaan. Alleen als Europa op gelijkwaardige wijze een aandeel in de militaire druk zou hebben genomen, had het een dienovereenkomstige stem in de politiek van dreiging, en dus het afdwingen van verdere inspecties gehad. Zo is het niet. De Fransen, Duitsers en Russen hebben hun voorstel alleen kunnen doen dankzij het feit dat de Amerikanen steeds dichter tot de rand van de oorlog zijn genaderd. Dat is de oorlog die Chirac, Schröder en Poetin eigenlijk niet willen – en wij evenmin. Dit is de intrinsieke zwakte. Europa wil uitstel omdat het geen oorlog wil, en Amerika andersom. Eventueel succes van de inspecties wordt bereikt op kosten van de Amerikanen. Tot dusver heeft deze eigenaardige dialectiek in ieder geval de verscherping van de inspecties mogelijk gemaakt, en de oorlog vermeden. Het ogenblik nadert waarop dit evenwicht verbroken wordt.

Nu dient zich een nieuwe politieke factor aan: de publieke opinie. De verbeeldingskracht van de meeste mensen wordt nu eenmaal pas aangesproken als het onheil levensgroot voor de deur staat, of al zijn onafwendbare entree heeft gemaakt. Nu pas beginnen de Britten te beseffen wat het betekent dat hun premier de beste vriend van de Amerikaanse president is. Mogelijk heeft hij een remmende invloed uitgeoefend: ertoe bijgedragen om Bush ervan te overtuigen dat de weg via de Verenigde Naties in ieder geval de beste was. Voor deze invloed heeft hij dan enige tienduizenden soldaten naar het aanstaande strijdtoneel moeten sturen. Nu het Amerikaanse geduld per minuut verder raakt uitgeput, daalt de populariteit van Blair in versneld tempo. Labour staat op het diepste punt sinds tien jaar; 57 procent van de Britten vindt dat er geen aanval zonder de zegen van de Verenigde Naties mag komen. Materieel is het Britse publiek het met verzetsgroep in de NAVO eens. Uit internationaal onderzoek, dat overigens door de uitvoerende instellingen zelf met reserve is gepubliceerd, blijkt, afgezien van de nauwkeurigheid van de cijfers, dezelfde trend.

Er groeit een opstand, niet tegen Amerika, en niet omdat het verzet van mening zou zijn dat Saddam ongemoeid moet worden gelaten. Het is voor een groot deel zelfs niet het verzet tegen een oorlog. Het gaat om de manier waarop deze Amerikaanse regering die aan de wereld probeert te verkopen; met bewijzen die onvoldoende overtuigingskracht hebben, en een geforceerdheid, een haast die door de verwoestingen van welke grote oorlog dan ook niet wordt gerechtvaardigd; en tenslotte met een veronachtzaming van de mogelijke gevolgen van wijder strekking die op de een of andere manier in de hele wereld zullen worden gevoeld – de hemel zal weten hoe diep en hoe lang.

Deze beginnende opstand is niet gericht tegen `Amerika', het is geen ouderwets anti-Amerikanisme. Het is ook geen tegenstelling tussen `bullebakken en verwijfde kakkebroeken' (zoals het in deze krant van zaterdag door Timothy Garton Ash wordt genoemd). De oorzaak is een steeds dieper wordend wantrouwen tegen de manier waarop de regering van deze president eenzijdig de wereld probeert te regeren. Het is een verzet dat voortkomt uit redelijke kritiek, gepaard aan emotionele motieven, gevoel van eigenwaarde, nationale trots en andere ongrijpbaarheden die nu eenmaal ook van invloed op de internationale verhoudingen zijn.

En vergissen we ons niet. Voorzover het de redelijke kritiek aangaat, komt die niet alleen uit Europa. Een lange reeks Amerikaanse politici, economen, historici, media wier stem in Europa nauwelijks doordringt, doen aan deze opstand mee. Om een paar onverdachte critici te noemen: generaal Wesley Clark, opperbevelhebber in Kosovo, verzet zich al maanden. (Grondig beredeneerd, in The Washington Monthly, 9-2002. wwww.washingtonmonthly.com). Generaal Norman Schwarzkopf, opperbevelhebber in de eerste Golfoorlog, wil de inspecteurs meer tijd geven (International Herald Tribune, 8-9 februari). Beter militaire bronnen zijn niet beschikbaar.

Er zit een harde, rechte lijn in de wending die deze president in de verhouding van Amerika tot de wereld heeft gegeven. Stap voor stap kunnen we de ontwikkeling van zijn aantreden tot nu toe volgen. De dag na elf september stond het hele westen paraat, naast Amerika. Nauwelijks anderhalf jaar later kost het kunst en vliegwerk om het bondgenootschap een schijn van eenheid te geven. Met de nadering van de grote oorlog in het Midden-Oosten neemt de opstand tegen de president c.s. toe. Hij beseft het, hij neemt het risico. Ook dat ligt in zijn lijn. Dat is het grote politieke feit waarmee Europa en zijn tegenstanders in eigen land moeten leven. Hij gelooft dat hij sterk genoeg is om het alleen te kunnen doen; dat hij het zich kan veroorloven bondgenoten in tegenstanders te veranderen. Dat hij dan nog altijd sterker is dan zijn al tegenstanders samen, desnoods dan de rest van de wereld. Die, denkt hij, hebben we niet nodig.

    • H.J.A. Hofland