De beste bedoelingen

TIJDENS DE PAARSE kabinetten is Nederland een actief beleid ter bestrijding van armoede en voor het aanpakken van de problematiek van de grote steden gaan voeren. Armoede en sociale uitsluiting werden vanaf 1995 onderwerp van beleid onder het motto `De andere kant van Nederland' en het grotestedenbeleid kreeg een staatssecretaris (Paars-I) en een minister (Paars-II). De Algemene Rekenkamer heeft beide beleidsterreinen onderzocht en de nota's die deze week uitkwamen, stemmen niet vrolijk. Er is veel geld mee gemoeid, maar de resultaten zijn diffuus.

Voor de aanpak van de problemen van vijfentwintig `grote' steden was tussen 1995-1999 een bedrag van 1,5 miljard euro beschikbaar en voor de periode 1999-2004 11,5 miljard euro. Of het beleid na vijf jaar effectief is, kan niet worden beantwoord, stelt de Rekenkamer vast. Er is wel veel informatie verzameld, maar geen verklaring voor tegenvallende resultaten. Het is niet duidelijk of verbeteringen resp. verslechteringen in de grote steden het gevolg zijn van gevoerd beleid of van omstandigheden die daar niets mee te maken hebben. Dit oordeel is mild vergeleken bij dat over het armoedebeleid. Hiervan stelt de Rekenkamer vast dat sprake is van ,,gebrekkige operationalisatie van uitgangspunten, begrippen en doelstellingen en dat het niet mogelijk is vast te stellen of het beleid tot de verlangde resultaten heeft geleid''.

HET IS, anders gezegd, een rommeltje. Geen wonder, met negenenzeventig verschillende maatregelen voor armoedebestrijding, waarbij maar liefst negen ministeries zijn betrokken. De Rekenkamer heeft negenenveertig programma's onderzocht waarmee een bedrag van 4,5 miljard euro in 2000 was gemoeid. Hoofdzaak van de armoedeprogramma's zijn bijzondere bijstand, hulp ten gunste van specifieke groepen (ouderen, kinderen, mensen met schulden) en verlichting van de woonlasten en lokale lasten. Weliswaar is er vanaf 1995 sprake van een gestage daling van het aantal huishoudens dat moet rondkomen van een minimuminkomen, maar dat kan, aldus de Rekenkamer, aan de gunstige economische ontwikkeling in de tweede helft van de jaren negentig hebben gelegen.

De kritiek van de Rekenkamer is niet mals. Hier wreekt zich dat armoedebeleid een typisch politiek stokpaardje is. Niemand is vóór armoede, iedere politicus of betrokken ambtenaar weet met de beste bedoelingen wel een groep die aandacht verdient of een extraatje behoeft. Nu het economisch slechter gaat en zich over een brede linie inkomensdalingen voordoen, zal het armoedevraagstuk prangender worden. Het is beter om het beleid te beperken tot een klein aantal generieke maatregelen, dan vast te houden aan een ondoorzichtig woud van regelingen. Het effectiefst ter bestrijding van armoede zijn scholing en maatregelen tegen de armoedeval die de overstap van het sociale vangnet naar de arbeidsmarkt belemmert. Daar valt nog veel te winnen.