Wild wonen

,,Carel Weeber was architect'', staat onder zijn artikel `Er moet ruimte komen om wild te bouwen' (NRC Handelsblad, 2 februari). Zijn pleidooi voor `het wilde wonen' is een dappere, maar kansloze, aanklacht tegen `het staatsdenken in de architectuur'. Echter, niet de architectuur, maar de ruimtelijke ordening veroorzaakt de onvrede. Architectuur krijgt de schuld, omdat die het meest zichtbaar is. Ik heb zelf als architect geparticipeerd in het project `Gewild Wonen' in Almere, dat geïnspireerd is op de door Carel Weeber geïnitieerde beweging `het wilde wonen'. Het heeft mij geleerd dat mensen in de eerste plaats op zoek zijn naar ruimte, zowel in als om het huis. Architectuur speelt voor de consument nauwelijks een rol, net zo min als stijl.

Woningbouw in Nederland wordt inderdaad in hoge mate bepaald door de overheid, door de kunstmatige schaarste aan bouwlocaties en door de angst dat het land vol zou zijn – een land dat voor meer dan tachtig procent in beslag wordt genomen door een volstrekt obsolete bedrijfstak: de landbouw. Het open landschap is tot monument verklaard en zo ook het middeleeuwse contrast tussen stad en land. Dit monumentale land verdraagt de simpele werkelijkheid niet, namelijk dat mensen de ruimte willen en net als gasmoleculen in een vat de maximale afstand tot elkaar opzoeken. De aanklacht tegen de staatsarchitectuur zou moeten zijn: de aanklacht tegen de ruimtelijke ordening. Alleen een enorme uitbreiding van bouwlocaties kan de stagnerende woningbouwproductie vlot trekken. De architectuur van nu is niets anders dan een creatief en adequaat antwoord op de grondschaarste.

Ik steun Carel Weeber dan ook niet in zijn strijd tegen de `staatsarchitectuur'. Wel in zijn pleidooi voor verregaande liberalisering van bouwlocaties.