Vrouwen in topfuncties

In haar artikel over vermeende achterstelling van vrouwen bij de benoeming van topfuncties stelt Margo Brouns dat in het hoger onderwijs vrouwen gediscrimineerd worden (NRC Handelsblad, 5 februari). Om dit aan te tonen, zet zij het huidige percentage vrouwelijke studenten af tegen het huidige percentage vrouwelijke hoogleraren en constateert een wanverhouding. De oorzaak van deze wantoestanden moet dan wel liggen in een gesloten mannenbolwerk dat onderling de baantjes zou verdelen.

Het is de vraag of deze redenering opgaat, of inderdaad sprake is van discriminatie en onheus gedrag, en of ingrijpende maatregelen gerechtvaardigd zijn. Zij gaat immers voorbij aan het feit dat de doorstroming op universiteiten traag is en dat het huidige percentage vrouwelijke hoogleraren dus vergeleken zou moeten worden met het percentage vrouwelijke studenten van, pakweg, 15 tot 20 jaar geleden. Wanneer dit voor een vak als natuurkunde gedaan wordt, blijkt dat vrouwen zeker niet onderbedeeld zijn. In andere vakgebieden waarin wel sprake is van een snelle doorstroming, zoals in de huisartsgeneeskunde, is het percentage vrouwelijke huisartsen in overeenstemming met het percentage vrouwelijke studenten.

Het werkelijke probleem op universiteiten zit hem in de geringe loopbaanperspectieven voor jonge onderzoekers. Dit geldt echter in gelijke mate voor mannen en vrouwen en het is daarom onterecht om de schaarse beschikbare middelen selectief in te zetten voor het vrouwelijke deel.