Vegen

Op weg naar een soortement demonstratie op het Museumplein in Amsterdam kwam ik naast vier Marokkaanse jongeren te lopen. Het waren schoolmeisjes zonder hoofddoekje en ook hun woordgebruik klonk verrassend eigentijds. Enkele malen was sprake van ,,Die kutkinderen op school''. Toen we het Amerikaanse consulaat op de hoek van het plein naderden, zei een van de meisjes met grote verbetenheid: ,,Ik hoop dat ze die hele ambassade opblazen.''

Voor het overige was het een prachtige, heldere winterlentemorgen, die erop gebrand leek ons te verzoenen met het bestaan. Een groepje Marokkaanse mannen voor het consulaat was, net als die meisjes, nog niet zo ver. Ze droegen borden met opschriften als `Free Palestine, stop USA' en `George W. Bush wanted'. Af en toe riep iemand: ,,CDA, waar blijven je normen en waarden?'' of ,,Criminelen, jullie willen een koloniale oorlog''.

Ze legden me uit dat het hier nog geen officiële demonstratie betrof – die volgt komende zaterdag op de Dam – maar een generale repetitie.

,,Is het geen schande dat het toch verboden wordt?'' zei een man tegen me. ,,De politie heeft net gezegd dat we over een kwartier weg moeten zijn.''

Ook op het terrein achter het hek van het consulaat was enige nervositeit merkbaar. Er liepen enkele gewapende militairen heen en weer tussen een blauw pantservoertuig en een wit bewakingshokje van de politie.

Een man met een bontmutsje op, die zijn bovenlichaam in de Palestijnse vlag gewikkeld had, vertelde me over de verwerpelijkheid van de motieven van Bush. ,,Het komt allemaal door de olie'', zei hij. ,,Olie! Olie!'' vielen de omstanders hem bij.

Het is zo langzamerhand een magisch woord geworden. Zeg `olie' en je hoeft niets meer uit te leggen. Vier letters waarmee je elke discussie kunt lamleggen – wat een luxe.

De demonstranten stonden elkaar dit multifunctionele woordje nog enthousiast toe te roepen, toen een blonde politieagente zich meldde. ,,U mag hier blijven staan'', zei ze moederlijk. ,,Het werd iets te onrustig met allerlei schooljongeren, maar die zijn nu weg.''

,,Mogen we blijven?'' vroegen de demonstranten ongelovig. Er klonk enige teleurstelling door. Een demonstrant wil tegenstand, geen tolerantie.

Daar stonden ze. Een grijsaard met pluizige baard riep: ,,Bush magge niet oorlog'' – maar dat wisten we al.

Toen verscheen er een schoonmaker op het terrein van het consulaat. Hij had een bezem in zijn handen en begon de stoep en het plaveisel tussen pantservoertuig en politiehokje te vegen. Hier een struise haal, daar een soepele polsbeweging. Hij trok zich van niemand iets aan – niet van de gewapende militairen en niet van de roezemoezende demonstranten.

Hij veegde. Geconcentreerd en geduldig. Zoals een man veegt die niet geplaagd wordt door lastige bijgedachten. Binnen in het consulaat was enige consternatie geweest. ,,Wat moet dat met die fuckin' demonstranten'', had de consul gezegd, maar hij, de schoonmaker, had alleen maar gedacht: ik ga lekker vegen.

Ik keek naar hem en ik genoot.