Straf van God

Benedendijks Maassluis hield in 1953 droge voeten bij de Watersnoodramp. Tot grote teleurstelling van Maarten 't Hart. De achtjarige scholier was jaloers op al die jongens en meisjes die met amfibievoertuigen van daken werden gered.

,,De watersnood'', hoorde ik een dominee vorige week tijdens de herdenking ferm op de buis zeggen, ,,was geen straf van God.''

Vijftig jaar geleden was mijn vader al tot dezelfde conclusie gekomen. Om twee redenen. Ten eerste leerde het Woord dat de firma God & Zoon nimmer meer met een zondvloed zouden straffen. Een en ander hadden Zij met behulp van de regenboog tegenover Noach evangelisch bekrachtigd. Het toenmalige gebazel dat de watersnood een straf van God was, karakteriseerde mijn vader derhalve als `onschriftuurlijk'.

Ten tweede was bij de ramp onze stad, Maassluis, precies voor de helft getroffen. Bovendijks stond het water op zondag 1 februari twintig centimeter hoger dan ik groot was; benedendijks hadden wij allemaal droge voeten gehouden omdat onze dijk het op het nippertje had gehouden. Dus precies de helft van de stad (het rijkste deel!) was ondergelopen.

In geval van een straf van God, die op zichzelf overigens heel begrijpelijk zou zijn, want de zonde greep wild om zich heen (ik stip de opmars van de nylonkous aan, de lippenstift, en de sigarettenautomaten waar je op zondag een pakje Miss Blanche uit trekken kon), had Maassluis juist benedendijks getroffen moeten zijn. Want waar bevonden zich de poelen van zonde? Precies, daar waar de ouderlingen niet woonden. Onder aan de dijk trof je het Luxor-theater met films van Rooie Roggers en Doris Dee en de Openbare Prins Bernhardschool en de leesbibliotheek van Van Willigen waar je felrealistische romans van Hans Martin kon lenen. Bovendijks was de Gereformeerde Evangelisatie Bibliotheek en daarvan bleek meer dan de helft van het boekenbezit afgeschreven te moeten worden.

,,Juist daar waar de heiligen wonen'', zei mijn vader, ,,heeft het water toegeslagen.'' Bij Ouderling Koevoet bijvoorbeeld was zijn unieke bijbelverzameling weggedreven en later als griesmeelpap teruggevonden! Was dat niet tekenend! Juist geen straf van God & Zoon dus, die watersnood, maar een geloofsbeproeving. Wie God liefheeft, dien kastijdt Hij. Vandaar dat het water precies tot aan de Rioolbemaling was gekomen, die trots middenop de Dijk stond.

Ondertussen vond ik het, al durfde ik dat tegen niemand te zeggen, doodjammer dat het water nou net op tien meter afstand van ons huis tot stilstand was gekomen. Ik was zo jaloers op al die jongens en meisjes die met amfibievoertuigen en hefschroefvliegtuigen van daken gered werden. Ik had toen, acht jaar oud, zelfs nog nooit in een auto gezeten. Mij leek het een fantastisch avontuur om, met je kousen tot aan de boorden in het steenkoude water, op de nok van het dak te toeven en dan met zo'n helicoptère (zo sprak je het toen nog uit) opgetrokken te worden.

In Maassluis zijn twee mensen verdronken, een oude vrouw in de Taanstraat die nog beneden in een bedstede sliep, en een man op 't Stort van wie het huis instortte. Vergeleken met wat zich elders had voorgedaan stelde het niets voor, en ook daar was ik diep bedroefd over. Had je eindelijk eens een enorme ramp, en dan woonde je net daar waar je er alleen maar een vleugje van meemaakte. Gelukkig troostte onze meester ons. Binnenkort, zei hij, gooien ze met kobaltbommen en dan splijt de aarde in tweeën. Terstond begreep ik waar die spleet zou onstaan. Natuurlijk bovenaan de dijk, bij de Rioolbemaling.