Regering-Bush ten prooi aan eigen retoriek

Amerika onderschat hoe moeilijk en kostbaar het is, en hoe lang het zal duren om een vreedzaam en democratisch Irak te scheppen, vindt Fawaz A. Gerges.

Bij de voorbereidingen van de omverwerping van Saddam Husseins regime onderbouwt de regering-Bush haar betoog met twee cruciale argumenten. Allereerst beweren president Bush en zijn medewerkers dat oorlog tegen Irak een uitbreiding is van de militaire campagne tegen het terrorisme. Volgens de Amerikaanse onderminister van Defensie Wolfowitz zouden Amerika en de rest van de wereld door een oorlog gevrijwaard worden van ,,het gevaar dat Iraks massavernietigingswapens in handen van terroristen kunnen vallen''. In de tweede plaats belooft het team van Bush Irak te democratiseren, een verandering die – naar men hoopt – de democratisering van de hele regio op gang zal brengen. Een vreedzame overgang naar democratie in Irak, zo wordt verzekerd, zou spoedig ook andere autoritaire Arabische staten in zijn greep krijgen. Door het politieke landschap in het Midden-Oosten te wijzigen, hoopt men de grondoorzaken van het islamitische extremisme weg te nemen.

Hoe realistisch zijn dergelijke denkbeelden? Wanhoop en vervreemding hebben bezit genomen van de jongere generatie Arabieren, die meer dan de helft van de bevolking in de regio vertegenwoordigen. De politieke onderdrukking en het stilzwijgen van de Arabische publieke opinie zouden Amerika en zijn Arabische bondgenoten zorgen moeten baren en hen niet mogen geruststellen, want het betekent dat het publiek geen mogelijkheden heeft op vreedzame wijze zijn belangen, eisen en frustraties te uiten.

Een Amerikaanse invasie van Irak, met grote aantallen burgerslachtoffers, zou de gevoelens van vernedering en verslagenheid onder Arabische jongeren slechts versterken en hen ertoe aanzetten zich aan te sluiten bij Al-Qaeda-achtige jihad-groeperingen.

Militante islamisten, die hopen zich te kunnen herstellen van de verwoestende klappen die zij hebben opgelopen sinds het begin van de oorlog tegen de terreur, staan al klaar om profijt te trekken van de aanstaande oorlog tegen Irak. Al-Qaeda probeert zichzelf een nieuwe identiteit te verschaffen als verdediger van het Iraakse volk en vindt daarbij een gewillig oor. Het overheersende commentaar uit het Arabisch-islamitische kamp luidt dat de aanstaande oorlog niets van doen heeft met de strijd tegen de terreur, maar bedoeld is om oude rekeningen te vereffenen en Washington tot scheidsrechter te bombarderen van het Arabische lot en de Arabische rijkdommen, met name de olie. Door Irak aan te vallen kunnen de VS de gewapende confrontatie met Saddam winnen, maar zullen ze de bredere politieke strijd om de toekomst van het land waarschijnlijk verliezen.

Amerikaanse functionarissen lijken niet onder ogen te willen zien hoe moeilijk, kostbaar en langdurig de taak zal zijn om een vreedzame openbare orde en een levensvatbare democratie in Irak tot stand te brengen. Onderschat wordt hoe diepgeworteld de sectarische, tribale en etnische loyaliteiten in Irak zijn.

De bouwstenen en instellingen die nodig zijn voor een goed functionerend bestuur, laat staan voor een democratie, zijn afwezig. Sinds de machtsovername door het leger in 1958 hebben de opeenvolgende regimes de Iraakse burgers geterroriseerd en het land door hun mislukte militaire campagnes laten leegbloeden. De samenleving van vrije en verantwoordelijke burgers is verwoest en de middenklasse is gedecimeerd – voor een niet gering deel als gevolg van de sinds 1991 door de VN opgelegde economische sancties.

Het is niet onmogelijk om het Iraakse politieke systeem te hervormen en te democratiseren. De Irakezen hebben meer geleden dan de meeste andere volkeren en ze hebben aan den lijve ondervonden wat autoritair bestuur en onderdrukking inhouden. Ze zijn zich bewust van het belang van het overwinnen van hun onderlinge verdeeldheid en van de wederopbouw van hun politieke gemeenschap. Irak beschikt ook over de menselijke en natuurlijke hulpbronnen die op de langere termijn de democratie ten goede zouden moeten komen.

Maar de democratie kan Irak niet worden opgelegd door een macht van buiten. Alleen de Irakezen zelf kunnen, met internationale hulp, hun land veranderen. Daar is tijd voor nodig, evenals geduld, hard werken en geluk. Het proces zal waarschijnlijk tien tot twintig jaar in beslag nemen, niet slechts een jaar of twee – het voorgestelde tijdsbestek van de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Irak na de verdrijving van Saddam.

Tenzij Amerika bereid is vele jaren als politie-agent op te treden en enorme hoeveelheden politieke en economische middelen te investeren in het begeleiden van de wederopbouw van staat en samenleving in Irak, zal het land uiteenvallen in chaos. De buurlanden zullen gedestabiliseerd worden. Nieuwe jihad-groeperingen zullen opstaan. Niet alleen zal er geen vrede en democratie heersen in Irak, maar de veiligheidsbelangen van het Westen zullen nog verder ondermijnd worden. Helaas wordt met dit pessimistische scenario nauwelijks rekening gehouden door de functionarissen van de regering-Bush, die ten prooi zijn gevallen aan hun eigen retoriek.

Fawaz A. Gerges is hoogleraar Midden-Oostenstudies aan het Sarah Lawrence College, en auteur van het binnenkort te verschijnen boek `The Islamists and the West'