Laat bedrijfsleven onderwijs steunen

Bij de komende bezuinigingen mag niet worden ingeleverd op de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Investeringen blijven noodzakelijk, wil Nederland in de Europese kenniseconomie tot de top behoren. Niet alleen de overheid, ook andere sectoren moeten de lasten dragen, vinden Maria van der Hoeven en Annette Nijs.

Onder de kop `Domheid wordt nieuwe ziekte van Nederland' verscheen op zaterdag 25 januari in deze krant een somber artikel van Karel Berkhout en Herman Staal over onze kenniseconomie. In het stuk betogen de economen Soete en Kleinknecht dat Nederland met zijn kennis achterloopt op de rest van Europa. Zij breken een lans voor méér investeringen in het onderwijs, omdat volgens hen onderwijs een rendement oplevert van acht tot twaalf procent, waar het aflossen van de staatsschuld slechts vier tot vijf procent rendement zou bieden.

Het stuk verwoordt een visie die velen delen. Het besef groeit dat goed onderwijs een cruciale factor is in de ontwikkeling van de kenniseconomie. Maar hebben wij wel goed onderwijs? Er zijn genoeg redenen om ons daar zorgen over te maken. Nederland kent bijvoorbeeld relatief veel voortijdige schoolverlaters. Bijna alle andere Europese landen doen het op dat punt beter. Zorgwekkend is ook het aantal leerlingen en studenten dat een technische opleiding of een bèta-opleiding afrondt. Binnen Europa doen wij het op dat punt ronduit slecht: we staan onder aan de lijst. Helemaal bedroevend is het aantal vrouwelijke afstudeerders in bèta- en techniekvakken: nergens in Europa studeren er minder vrouwen af in deze vakken.

Deze en andere conclusies kunnen we trekken uit het `Benchmark'-rapport dat de Europese Commissie enkele maanden geleden heeft uitgebracht. Deze jaarlijkse rapportage vloeit voort uit de Europese top in Lissabon van 2000. Toen hebben de lidstaten van de Unie afgesproken dat Europa in 2010 de belangrijkste kenniseconomie ter wereld moet zijn. Nederland deed er nog een schepje bovenop: binnen Europa willen wij dan tot de top behoren. Het jaarlijkse vergelijkende onderzoek laat zien of de lidstaten hun ambities wel waarmaken.

Op een aantal terreinen doen we het wél goed, zo blijkt uit datzelfde rapport. Van de volwassenen tussen 24 en 65 jaar volgt bijvoorbeeld 16 procent een cursus of een opleiding naast het werk. Dat is meer dan in andere Europese landen. Bijna 69 procent van de Nederlanders tussen 25 en 64 jaar heeft minimaal een havo- of mbo-diploma op zak. En ook dat is een hoge score. Uit vergelijkbare studies blijkt bovendien dat onze 15-jarigen in Europa bovenin staan bij lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. Ook de kwaliteit van het hoger onderwijs en het publieke onderzoek is in internationaal perspectief hoog.

Dat zijn prestaties waar we trots op mogen zijn. Het is en blijft onze nationale ambitie om bij elk van de in het rapport onderzochte domeinen tot de beste drie Europese landen te behoren. De goede resultaten zijn echter volgens velen het gevolg van investeringen uit het verleden. Nu er economisch magere jaren aangebroken lijken te zijn, groeit hun angst dat domheid inderdaad de nieuwe ziekte wordt van Nederland.

Deze angst lijkt gerechtvaardigd. We moeten heel goed opletten dat we ook over enkele jaren in Europa nog kunnen meekomen. Goed onderwijs vergroot de arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit. Het levert een flexibele beroepsbevolking op, waardoor het concurrentievermogen van Nederland toeneemt. Goed onderwijs draagt ook bij aan de verlaging van kosten voor sociale uitkeringen, voor sociale verzekeringen, voor gezondheidszorg, voor pensioenen en voor criminaliteit. Daarom willen we bijvoorbeeld het aantal voortijdige schoolverlaters in 2006 met 30 procent teruggedrongen hebben.

Er moet het nodige gebeuren willen we in 2010 de topvijf van Europa halen op de punten waar we nu achterblijven.

Ook al zitten we in een economisch dal, investeren in kennis, in onderwijs en onderzoek dus, blijft absoluut noodzakelijk. Als er extra middelen te verdelen zijn, dan staan onderwijs, wetenschap en een leven lang leren vóór in de rij. Maar de bedragen die mensen in dat verband noemen – Soete en Kleinknecht spreken van 5 miljard euro – zijn op dit moment niet realistisch. We pleiten voor duidelijke keuzes: als Nederland tot de kennistop wil behoren in Europa, dan moeten we de consequenties willen dragen. Wij kunnen hier echter geen bedragen noemen. Daarmee zouden we de onderhandelingen voor het volgende regeerakkoord eerder frustreren dan verder helpen. Er zijn wel grenzen: het is wat ons betreft ondenkbaar dat we wegens bezuinigingen moeten inleveren op de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. Dat betekent bijvoorbeeld dat we willen blijven investeren in goede huisvesting en apparatuur voor het hele onderwijs, van basisschool tot en met universiteit. En het betekent ook dat we willen blijven werken aan manieren om werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken.

In de tweede plaats moeten we ons afvragen of de overheid wel koste wat 't kost alle lasten moet dragen van het onderwijs. In de Verenigde Staten is per inwoner twee keer zoveel geld beschikbaar voor onderwijs als in Nederland, maar het deel dat de overheid daarvoor uitgeeft is ongeveer gelijk aan het bedrag dat ons land ervoor uittrekt. In de VS betalen burgers en bedrijven het andere deel. Zouden wij in Nederland – om te beginnen in ons beroepsonderwijs en hoger onderwijs – niet méér geld kunnen inzetten uit het bedrijfsleven en andere sectoren van de samenleving? Bijvoorbeeld via fiscale stimulansen voor scholing en onderwijs? Uiteraard moeten we de toegankelijkheid, veelzijdigheid en kwaliteit van het onderwijsaanbod garanderen. Dat hoeft echter private investeringen niet uit te sluiten.

In de derde plaats moeten we de beschikbare middelen ook beter en ánders durven inzetten. Niet automatisch blijven doen wat we al jaren doen, maar beter nadenken over vernieuwingen die aansluiten bij de ontwikkelingen in het onderwijs en onderzoek. Niet alles hoeft méér geld te kosten. Een voorbeeld is de komende `lumpsum'-financiering van het primair onderwijs: vanaf 2005 kunnen de basisscholen in Nederland het geld dat voor hun school beschikbaar is, naar eigen inzicht besteden. Daardoor zijn ze beter in staat om onderwijs op maat te geven, om een aantrekkelijke werkgever te zijn en om zich te onderscheiden van andere scholen – als een school met veel aandacht voor toneel, sport, tweetalig onderwijs, computers, muziek enzovoorts. Maatwerk, goed werkgeverschap en een eigen identiteit zijn belangrijke voorwaarden voor een basisschool die leerlingen wil voorbereiden op de kennissamenleving.

In de vierde plaats moet serieus werk worden gemaakt van samenwerking tussen onderwijs en onderzoek enerzijds – universiteiten, onderzoeksinstellingen, hogescholen en roc's – en bedrijfsleven en maatschappelijke sectoren anderzijds, maar ook van de samenwerking tussen Europese landen onderling. Neem Erasmus World. Dat is de naam van een nieuw programma, gericht op de profilering van het Europees hoger onderwijs en de samenwerking tussen Europese landen en met landen buiten Europa. Het gaat daarbij om samenwerking op internationaal topniveau. De beste instellingen uit de lidstaten zullen in deze opleidingen, waarvan de eerste in september 2004 zullen beginnen, hun kennis en ervaring inzetten voor de beste studenten uit niet-Europese landen. Door Europese samenwerking kunnen we hier op de mondiale onderwijsmarkt – die nu door de VS gedomineerd wordt – een sterkere positie verwerven.

Ook het aantrekkelijk maken van bèta- en techniekvakken is een zaak van samenwerking. Dat moet al beginnen in het primair onderwijs. Er zijn op dat gebied inspirerende voorbeelden te vinden van manieren om kinderen al vroeg enthousiast te maken voor techniek. Zo heeft het Technocentrum Zeeland samen met een aantal basisscholen een 'ontdek-kasteel' ontwikkeld, een meubel met 80 verschillende laatjes, hoekjes en doosjes, waarin allerlei lessen voor techniek zitten. Op deze manier wordt techniek voor kinderen tastbaar en aantrekkelijk gemaakt. Verder is het vak `techniek' verplicht in de basisvorming, en dit is in lang niet alle EU-landen het geval.

Het hoger onderwijs zelf kan eveneens meer doen om studenten te interesseren voor bèta- en techniekvakken. Jongeren op de middelbare school scoren goed op de exacte vakken, maar laten bèta- en techniekstudies links liggen. Een mogelijke oplossing zou gevonden kunnen worden in een andere opzet van deze studies. De Universiteit Nijmegen is er bijvoorbeeld in geslaagd om juist méér studenten in exacte vakken aan te trekken, door een multidisciplinaire opzet van de studies. Dat sluit beter aan op de belangstelling van de studenten.

Ten slotte kunnen we beter gebruik maken van de oplossingen in andere landen. We zouden op basis van de jaarlijkse `benchmark' kunnen vaststellen welke landen hoger scoren op de belangrijkste punten, en dáár ons licht opsteken. Zodat we in 2010 onze ambities zullen halen.

Investeren in onderwijs en onderzoek is dus pure noodzaak. Niet ondanks de slechte economische vooruitzichten, maar juist wegens die vooruitzichten. Want investeren in onderwijs heeft inderdaad een hoog rendement, zowel economisch als sociaal. Tegelijkertijd moeten we al onze creativiteit en intelligentie gebruiken om de middelen de we hebben zo effectief mogelijk te benutten. Het is aan het toekomstige kabinet om daar werk van te maken.

Maria van der Hoeven is minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Annette Nijs is staatssecretaris op hetzelfde departement.