De wereld van Wolfowitz

Heeft het voor een Europeaan zin om tegen de komende oorlog te zijn? Het lijkt er niet op. Het Frans-Duitse voorstel om de inspecties te verlengen komt te laat en stelt te weinig voor. De verdeeldheid binnen de NAVO over defensieve steun aan Turkije is een bruskering van een lidstaat die de verhoudingen onnodig op scherp zal stellen. Het beschamende gekrakeel in Europa zal Bush intussen alleen maar sterken in zijn religieus gevoede overtuiging dat Amerika de zaken alleen moet opknappen, en hoe eerder hoe beter.

We kunnen dus maar beter de veiligheidsgordels dichtklikken en proberen het hoofd koel te houden. Dat heeft ook consequenties voor de vraag hoe we in deze oorlog terecht zijn gekomen. Daarover doen nu vooral banaliteiten de ronde. Neem de pseudo-wereldwijsheid dat het `gaat om de olie'. Het is een populaire, vulgair-marxistische verklaring die even geruststellend is (omdat de wereld kennelijk toch overzichtelijk in elkaar zit) als armzalig.

Maar ook de heldhaftige retoriek over Saddam als nieuwe Hitler en een herhaling van München 1938 is demagogisch en belachelijk: als Saddam een Hitler is (en er zijn overeenkomsten, maar ook grote verschillen) dan is het de Hitler van 1945: in het nauw gedreven door een oneindig sterkere tegenstander, ten einde raad, onzeker van de loyaliteit van zijn elite, en met als laatste redmiddel een arsenaal aan geheime wapens (waarvan in dit geval nog niet onomstotelijk vaststaat dat hij ze heeft en effectief zou kunnen inzetten).

Veel meer terzake, en de werkelijke inzet van de huidige crisis in Europa en de NAVO, is het verband tussen de voorgenomen interventie in Irak en een Amerikaanse politiek van preventief unilateralisme die al vóór 11 september 2001 werd geslepen, en waarin de bescherming van de eigen nationale belangen en het besef van een mondiale beschavingsmissie op een onduidelijke, en dus gevaarlijke, manier door elkaar lopen.

De regering-Bush drijft op het idee dat Amerika tegelijkertijd als baken voor de mensheid kan dienen èn als instrument van internationale politiële interventie; sterker nog, in zijn moralistische wereldbeeld zijn die twee functies van een supermacht identiek. Een van de belangrijkste architecten van die buitenlandse politiek is, zoals met name door critici van Amerika wordt herkend, onderminister van Defensie Paul Wolfowitz. Deze overtuigde neoconservatieve defense wonk, door het internet-tijdschrift Slate sarcastisch de `testosteron man' van Bush gedoopt, is een leerling van de neoconservatieve ideoloog Allan Bloom, wiens klaagzang over de teloorgang van de Amerikaanse cultuur door consumptiedrift en relativisme, The Closing of the American Mind, een handbijbel werd voor Amerikaans rechts. Hij studeerde ook bij Albert Wohlstetter in Chicago, een conservatieve politiek denker en spijkerharde realist die meende dat het onontkoombaar is dat Amerika een strategie ontwerpt voor het inzetten van nucleaire wapens bij conflicten.

Wolfowitz is de geestelijk vader van de `Bush-doctrine' die het de Verenigde Staten mogelijk moet maken om wereldwijd preventief militair in te grijpen zodra het land een bedreiging ziet voor zijn positie als enig overgebleven supermacht. Het gaat er daarbij minder om acute gevaren te bezweren, dan om te voorkomen dat er regionale rivalen opstaan die op den duur gevaar kunnen opleveren. Het Irak van Saddam Hussein, dat al jarenlang VN-resoluties voor ontwapening aan zijn laars lapt en volgens de Amerikanen banden onderhoudt met Al-Qaeda, past naadloos in dat profiel. Wolfowitz ontwaarde het gevaar Irak al in de late jaren zeventig (toen hij de invasie van Koeweit voorzag) en heeft sindsdien van het land zijn persoonlijke obsessie gemaakt.

Hij diende daarna als onderminister van Defensie onder George Bush senior (en was in 1991 voorstander van het doorstoten naar Bagdad), maar werd door de Realpolitiker in het Witte Huis kortgehouden. In januari 1998 ondertekende hij een open brief aan diens opvolger Bill Clinton (samen met de huidige minister van Defensie Donald Rumsfeld en de conservatieve hardliner Richard Perle) waarin de toenmalige president werd opgeroepen Saddam alsnog met geweld uit het zadel te helpen. Een jaar later beschreef Wolfowitz, toen hoogleraar internationale betrekkingen aan de Johns Hopkins universiteit, in een ingezonden brief in het vakblad Foreign Affairs reeds het scenario dat zich nu ontrolt: ,,Het beheersen [van Saddam] brengt op den duur veel grotere risico's met zich mee dan het gebruiken van militaire kracht om het Irakese volk en onszelf te helpen van deze tirannieke bedreiging af te komen.'' Dat zal niet kunnen met louter lokale verzetstroepen, maar vergt ,,een veel directere inzet van Amerikaanse eenheden, afhankelijk van de ontwikkeling van het verzet en de loyaliteit van Saddams troepen''.

Zijn grote herkansing kwam onder de nieuwe president, veel meer een man met een missie en ook een veel religieuzer mens dan zijn pragmatische vader, en na 11 september 2001. Voor Wolfowitz en de zijnen kwam die aanslag niet zozeer als het begin van een nieuw tijdperk, maar als de uitkomst van een diagnose die al sinds de val van de Muur was gesteld: in een unipolaire wereld moeten de VS zich hun vijanden alerter dan ooit van het lijf houden.

De achilleshiel in deze mondiale strategie is: leven we inderdaad in een unipolaire wereld? Een wereld waarin de enige supermacht naar goeddunken kan optreden? In hetzelfde nummer van Foreign Affairs waarin Wolfowitz zijn ingezonden brief plaatste, stond een behoedzaam en omineus stuk van een ander foreign policy-kanon, Samuel Huntington. We leven niet in een unipolaire wereld, maar in eentje met één supermacht en talrijke regionale machten waarin Amerika zich op cruciale punten telkens opnieuw zal moeten vergewissen van de steun van bondgenoten en regionale coalities, aldus Huntington. De 21ste eeuw heeft geen sheriff nodig, zo stelde hij, maar community policing.

De ironie wil dat juist door 11 september dit scenario van Huntington is verlaten voor dat waarvoor hij waarschuwde: de eenzame sheriff tegen de rest van de wereld, met een verwarde en afkalvende kring bondgenoten. Met Saddam of zonder Saddam, in zo'n wereld wordt het voor de Verenigde Staten schaken op vele borden tegelijk. Een grootmeester wint gewoonlijk de meeste van die partijen, maar zelden allemaal.