De kleine regentijd

Suriname heeft sinds 1975 miljarden euro's aan ontwikkelingshulp en opbrengsten uit bauxiet ontvangen. Toch is het land er nauwelijks op vooruitgegaan, zo blijkt uit een nieuw standaardwerk over Suriname's economie. Komt het ooit nog goed met Sweetie Sranan?

Het is met de Surinaamse economie als met het weer in de `kleine regentijd': felle zonneschijn, maar knipper even met je ogen en zwarte wolken pakken zich samen.

Het lijkt vaak mooier dan het is.

Neem nou het nieuws van drie weken geleden: het feestelijke begin van een project voor het delven en verwerken van goud in het district Brokopondo. Tijdens een kleurrijke bijeenkomst gaf president Ronald Venetiaan met een plengoffer het startsignaal voor het project van het Canadese mijnbouwbedrijf Cambior. De lokale bevolking danste, er was muziek en Venetiaan sprak zoals hij altijd spreekt bij zo'n gelegenheid. De mijn moet volgens het staatshoofd ,,de kwaliteit van het leven in Brokopondo optrekken''. En hij riep bewoners uit het gebied op om ,,samen met de overheid te overleggen hoe deze potentie kan dienen voor verbetering van de gemeenschappen''. Mooie woorden. Maar ook te laat. Want al heel lang verzuimt de regering om de goudindustrie in het Surinaamse binnenland in goede banen te leiden. Misschien dat het met de Cambior-mijn nu beter gaat, maar illegale goudzoekers roven al jaren een van 's lands aantrekkelijkste natuurlijke hulpbronnen leeg, zonder dat de schatkist ervan profiteert.

Nog zo'n voorbeeld. Eind vorig jaar ondertekenden de bedrijven Suralco en BHP Billiton intentieverklaringen voor onderzoek naar de exploratie van nieuwe bauxietvoorraden in West-Suriname. ,,Het land staat voor een grote ontwikkeling'', zei minister van Natuurlijke Hulpbronnen Franco Demon bij die gelegenheid en hij telde de zegeningen van het bauxiet, de belangrijkste grondstof voor aluminium.

Critici zetten daar vraagtekens bij. Los van de vraag of de grootscheepse ontginningsplannen ooit werkelijkheid zullen worden, waarschuwen economen er al decennia voor dat Suriname bij de ontwikkeling van haar bodemschatten juist niet prioriteit bij bauxiet moet leggen. Vergeefs. Nog steeds bestaat Suriname's export voor ruim zeventig procent van de opbrengsten uit deze delfstof. Hoewel uit de cijfers blijkt dat de bauxietopbrengsten geen garantie zijn voor substantiële economische groei, zijn plannen voor het diverser maken van de economie nooit goed van de grond gekomen.

Hoe kwetsbaar de afhankelijkheid van de bauxietindustrie maakt, blijkt weer eens uit het onlangs op de Nederlandse markt verschenen boek Suriname, the economy, waarin veel (macro-)economische kennis over het land handzaam is samengevat. Onder redactie van Pitou van Dijck, als econoom verbonden aan het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns Amerika (CEDLA) van de Universiteit van Amsterdam, geeft een aantal deskundigen (onder andere van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank IDB en het Internationaal Monetair Fonds IMF) een overzicht van de ontwikkeling van de Surinaamse economie in de afgelopen twintig jaar. Uit de cijfers blijkt dat er weliswaar inkomsten uit de bauxietindustrie zijn gegenereerd, maar dat die opbrengsten het land per saldo nauwelijks een hoger welvaartsniveau hebben gebracht. Juist omdat Suriname zo afhankelijk was van de schommelende bauxiet- en aluminiumprijzen, stonden er in slechte tijden geen alternatieve inkomsten tegenover.

Gevolg: de bevolking is er, sinds de onafhankelijkheid in 1975, nauwelijks op vooruitgegaan. Kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkeling van het bruto binnenlands product. Waar dat bij veel andere landen een gestage groei te zien geeft, kabbelt het in het geval van Suriname voort op ongeveer hetzelfde niveau. Het land heeft zich ontwikkeld tot een weinig dynamische `grondstofeconomie' met voortdurende macro-economische instabiliteit, een dalend inkomen per hoofd van de bevolking en toenemende armoede.

Hoe vaak is er niet opgegeven over de mogelijkheden die Suriname biedt? Relatief weinig inwoners, vruchtbare grond met veel natuurlijke hulpbronnen, een ideale plek voor (eco)toerisme. En natuurlijk: de beschikking over een fantastisch en veel bekritiseerd `startkapitaal'. Ruim drie miljard gulden kreeg het land van zijn kolonisator Nederland mee toen het in 1975 onafhankelijk werd.

Ook hier leken de uitgangspunten voor de jonge natie dus positief. Maar het pakte anders uit. Inflatie, een gebrek aan productiviteit en ondernemingszin en een groot informeel circuit waarover de schaduw van een narcocratie hangt. En de miljarden aan ontwikkelingshulp? Ook die zijn nauwelijks ten goede gekomen aan een structurele welvaartsstijging, zo wijzen de cijfers uit. Bovendien heeft Suriname niet de economische ontwikkelingen in de meeste andere Latijns-Amerikaanse landen gevolgd. Daar werd, vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, meer ruimte voor de markt gecreëerd in samenhang met wisselkoersaanpassingen en fiscale hervormingen. Suriname bleef er bij achter. Tot op de dag van vandaag verloopt belastinginning moeizaam, is de monetaire stabiliteit fragiel, worden er te weinig eigen producten gemaakt en heeft de staat een te dominante rol binnen de economie. Zestig procent van de beroepsbevolking werkt bij de – inefficiënt opererende – overheid. En met veel overheidsbedrijven, zoals Surland (bananenindustrie) of het rijstbedrijf SML, gaat het slecht.

Het zijn wrange conclusies, omdat er wel enorm veel geld is binnengestroomd. Sinds het onafhankelijkheidsjaar 1975 heeft het land miljarden ontvangen. Daarvoor waren twee belangrijke bronnen: de Nederlandse ontwikkelingshulp en de opbrengsten van bauxiet. Maar veel heeft het allemaal niet opgeleverd. Alleen in de jaren tussen 1975 en 1980 was er flinke economische groei te zien, die te danken was aan de gunstige ontwikkelingen op de aluminiummarkt en de eerste ruime overboekingen van ontwikkelingshulp. Maar daarna ging het mis, met als dieptepunt 1982. Toen daalden de prijzen in de bauxietsector en werd tegelijkertijd de Nederlandse geldkraan dichtgedraaid als sanctie wegens de `Decembermoorden'. Pas na 1987, na de jaren van militair bewind, leek het bergop te gaan, maar uiteindelijk was het economisch herstel te weinig structureel.

Hoe kon dit gebeuren met een land waarbij het allemaal zo mooi leek? Een land dat, anders dan vele andere naties op het Zuid-Amerikaanse continent, nooit te maken heeft gehad met langdurige bloedige burgeroorlogen, revoluties of grote natuurrampen. Een land, dat miljarden op

zijn bankrekening kreeg, maar zijn nationale munt enorm in waarde zag dalen. Door die daling werd een dollar sinds 1975 3.400 keer meer waard dan een Surinaamse gulden.

Er zijn de afgelopen twintig jaar veel verklaringen gegeven voor de slechte stand van de Surinaamse economie. De afhankelijkheid van bauxiet is er één van. Een andere oorzaak zou de grote hoeveelheid Nederlands ontwikkelingsgeld kunnen zijn. Dat maakte, zo opperde oud-minister Jan Pronk tijdens de onlangs uitgesproken Multatuli-lezing in Breda, Suriname wellicht ,,hulpverslaafd''. Maar uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid maar op één plek: bij de Surinaamse politici. Die slaagden er niet in het roer om te gooien, een visie te ontwikkelen op de economische ontwikkeling en de gevoelige verdragsrelatie met Nederland pragmatisch te hanteren.

Dieptepunt was het presidentschap van Jules Wijdenbosch (1996-2000), die een excessief uitgavenbeleid voerde en de economie over de kop joeg. Daarbij vergeleken waren de regeringen-Venetiaan (1991-1996 en vanaf 2000 tot nu) nog heilig, maar deze kabinetten wisten evenmin de zaak op de rails te krijgen. Hoewel Venetiaan er in zijn eerste periode in slaagde monetaire stabiliteit te bereiken, verzuimde zijn coalitiekabinet van het Nieuw Front (NF) een langetermijnplan voor de economie te ontwikkelen en te implementeren. Na de periode-Wijdenbosch heeft het NF het roer opnieuw in handen gekregen, maar voert het wederom een weinig daadkrachtig bewind.

Venetiaan is niet te benijden. Het is een enorme opgave de economische erfenis van Wijdenbosch op te ruimen. Bovendien staat de politieke stabiliteit in de NF-coalitie, waarin verschillende etnisch georiënteerde partijen met elkaar samenwerken, steeds meer onder druk. Inmiddels is duidelijk dat pappen en nathouden niet de juiste weg is. Hoewel de regeringsverklaring in 2000 mooie voornemens bevatte, zijn er nauwelijks maatregelen genomen om de economie minder volatiel te maken. De economische groei laat te bescheiden cijfers zien. Van sanering van het topzware overheidsapparaat, de maatregel die volgens IMF, Wereldbank en IDB topprioriteit zou moeten hebben, is nog niets terechtgekomen. Integendeel: onlangs werden, onder politieke druk, de salarissen voor de `landsdienaren' juist verhoogd. Het deed een van de weinige lichtpuntjes van de tweede regering-Venetiaan, rust op het valutafront, als sneeuw voor de zon wegsmelten. Niet voor niets sprak het IMF in zijn meest recente consultatie over Suriname dan ook van weinig voortgang in de noodzakelijke structurele hervormingen.

De urgentie van die hervormingen loopt ook als een rode draad door het boek over de Surinaamse economie. Twee IDB-vertegenwoordigers wijzen er in hun hoofdstuk `Breaking from isolation' fijntjes op dat de omvorming van de huidige situatie tot een regionale, op de Caraïben gerichte economie slechts kan slagen als er een ,,effectieve binnenlandse politiek'' wordt gevoerd. Diezelfde politiek zal ook moeten inspelen op de snel veranderende situatie rond de nieuwe vrijhandelszone op het Amerikaanse continent die in 2005 een feit moet zijn: de FTAA, Free Trade Area of the Americas. Een klein land met zo'n slechte concurrentiepositie en zo'n eenzijdige economie kan makkelijk in een neerwaartse spiraal terechtkomen.

De IDB-vertegenwoordigers pleiten dan ook voor goede begeleiding van externe donoren en ontwikkelingsorganisaties, maar ook daar heeft Suriname problemen. De Wereldbank heeft haar contacten met Paramaribo al op een laag pitje gezet omdat men ontevreden was over de apathische houding. Ook tussen Suriname en Nederland, dat nog 212 miljoen euro `verdragsmiddelen' in kas heeft, is de verhouding gespannen.

Hoe nijpend de situatie is, bleek onlangs nog uit cijfers van het Institute for International Economics, een denktank in Washington. In het rapport `Prospects for free trade in the America's' werden zogenaamde readiness indicators voor alle Zuid-Amerikaanse landen opgenomen. Die indicatoren zijn gebaseerd op kerngegevens als economische groei, buitenlandse schuldpositie, exportgerichtheid en handelsvoorwaarden. Suriname stond voor het jaar 2001, samen met landen als Haïti en Guyana, onderaan, eenzelfde positie als in 1994. Van vooruitgang is dus geen sprake.

Nu zeggen cijfers natuurlijk niet alles, zeker niet waar het de Surinaamse economie betreft. In het land, zo heeft het IMF berekend, is een bloeiende informele sector. Daarbij gaat het van illegale gouddelving of houtkap tot het sturen van voedselpakketten en harde valuta van familieleden in Nederland naar Suriname. Dit soort activiteiten is moeilijk in statistieken te vatten. Maar geschat wordt dat 25 tot 30 procent van de economie is toe te schrijven aan deze informele component, waarbij de drugshandel nog niet eens is meegerekend. Het verklaart waarom Suriname op basis van officiële cijfers tot de armste landen ter wereld behoort, maar dat de dagelijkse leefomstandigheden relatief meevallen.

Dat neemt niet weg dat de sociale onrust groeit en de vooruitzichten weinig florissant zijn. Extra zorgwekkend is dat de Surinaamse overheid haar grip op de samenleving lijkt te verliezen. Er is geen geld meer voor urgente investeringen in wegkwijnende publieke voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg. Goed opgeleid kader voor overheidsdiensten is nauwelijks te vinden. De lokale kapitaalmarkt is huiverig om de staat geld te lenen. Aangekondigde en noodzakelijke wetgeving op het gebied van democratische hervormingen, investeringsklimaat, milieubeheer of bescherming van binnenlandbewoners tegen economische activiteiten van buitenstaanders blijft uit. Wel is onlangs een antiwitwaswet aangenomen, maar het justitieel personeel dat daaraan effectief uitvoering moet geven ontbreekt.

Zo resteert een trieste balans. Suriname: het zou zo mooi kunnen zijn, maar het wil maar niet lukken. Zwarte wolken blijven voorlopig de zonneschijn bedreigen.

Suriname, the economy. Prospects for sustainable development, geredigeerd door Pitou van Dijck. Ian Randle Publishers; in Nederland gedistribueerd via Rozenberg Uitgevers, Amsterdam; 354 pagina's, € 25,00.

Macro economische gegevens over Suriname via: www.imf.org of www.worldbank.com

    • Joost Oranje