Chirac moet terug naar De Gaulle

De discussie rondom Irak plaatst Frankrijk voor het schrijnendste diplomatieke dilemma sinds het einde van de Koude Oorlog, meent Dominique Moïsi.

In de wereld van de diplomatie is dubbelzinnigheid een vereiste, maar wie al te subtiel te werk gaat, kan zijn belangen schaden. Dat is nu het geval met het Franse beleid inzake Irak.

Een tijdlang heeft president Jacques Chirac geprobeerd positie te kiezen tussen Groot-Brittannië en Duitsland. Dat standpunt heeft hij laten varen, al weigeren de Fransen nog steeds hun positie gelijk te stellen aan die van de Duitsers. Parijs legt het accent op de verdediging van het multilateralisme, terwijl Berlijn in alle opzichten tegen de oorlog is.

De nuances in de Franse opstelling zijn verwarrend geworden, en dat is nadelig. Door zijn jongste voorstel – om het wapeninspectieteam van de Verenigde Naties in Irak te versterken – lijkt Frankrijk de zijde van Duitsland te hebben gekozen.

Dat dit voorstel de Amerikaanse oorlogsplannen zal hinderen, is niet waarschijnlijk; eerder zal het de Fransen moeilijker maken hun standpunt te herzien.

Het diplomatieke dilemma betreffende Irak is het schrijnendste dat Frankrijk sinds het einde van de Koude Oorlog heeft meegemaakt. Het is een perfecte illustratie van de complexiteit van het nieuwe internationale stelsel, van de nieuwe constellatie van krachten en emoties die de wereld beheersen.

Chirac meende de toverformule te hebben gevonden in een `derde weg' tussen de Britse positie (te dicht bij Washington) en de Duitse (te zeer afkerig van het idee van oorlog überhaupt). Op die manier, zo dacht hij, zouden de legitimiteit en de effectiviteit van Verenigde Naties worden versterkt.

De mondiale rol van Frankrijk zou er wel bij varen, en het zou Frankrijk in staat stellen zich op te werpen als enige woordvoerder van de Europese publieke communis opinio.

Maar sinds het begin van dit jaar heeft Chirac, doordat hij de indruk wekte weg te glijden naar het Duitse standpunt, zijn gaullistische beginselen geschonden. Dat was deels uit symbolische motieven – ter ere van de veertigste verjaardag van het Verdrag van het Elysée, dat de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland had bezegeld – en deels onder druk van de publieke opinie.

Dat Chirac zogenaamd voor Europa sprak, terwijl hij in feite naar de Duitse positie schoof, had twee averechtse effecten.

Ten eerste is de verwarring in Europa erdoor vergroot. Toen acht Europese leiders vorige maand in een brief hun steun aan de Verenigde Staten betuigden, legden zij maar al te graag de verdeeldheid, en dus de onmacht van Europa, bloot. En al zou de Franse president dichter bij de Europese publieke opinie staan dan Tony Blair, Silvio Berlusconi of José Maria Aznar, dan nog is dat niet het Europa dat Washington wil horen.

In de tweede plaats heeft Chirac hiermee een vorm van pacifisme in de hand gewerkt dat het tegendeel is van het gaullisme. De Europeanen koesteren een gezonde scepsis ten aanzien van het gebruik van geweld. Zij weten dat het makkelijker is een oorlog te beginnen dan een conflict te beëindigen.

Daarom vreest Europa de imperiale ambities en het spierballenavonturierschap van zijn Amerikaanse beschermer. Intussen hebben de Amerikanen hun internationalistische idealisme verlaten voor strategisch denken op basis van machtsevenwicht, gekleurd door optimisme en een gevoel van religieuze plicht. Het is heel mooi, maar ook een tikkeltje beangstigend.

De opkomst van een waarlijk pan-Europese publieke opinie over Irak zou goed kunnen zijn voor een continent op zoek naar een volksgemeenschap (`demos') om een politieke unie te schragen. Maar als daar de wens achter zou steken de ogen te sluiten voor de barre werkelijkheid van de huidige wereld, zou dat slecht zijn voor Europa. Een louter civiel Europa, losgekoppeld van de moderne wereld, is niet waar Chirac voor staat.

De president staat voor de lastige keuze tussen het gevaar van afzijdigheid en de prijs van deelname. Maar om redenen van zowel ethiek als realisme weegt de prijs van afzijdigheid – om maar te zwijgen van een veto, dat de VN en Frankrijks mondiale ambitie zou schaden – zwaarder dan het risico van een marginale, schoorvoetende rol in de oorlog.

De vergelijking met Amerika's rampzalige oorlog in Vietnam gaat niet op. Een oorlog tegen Saddam Hussein is meer een soort internationaal politie-optreden. De meerderheid van de Irakezen wil worden bevrijd van het bloedige, repressieve regime. En de fundamentalisten van Al-Qaeda hebben geen voorwendsel nodig om ons te vernietigen, al zou een oorlog hun wel rekruten opleveren. Daarom moet Chirac, de erfgenaam van de trotste gaullistische traditie, zich niet scharen aan de zijde van het pacifistische Duitsland, dat nog altijd verstrikt is in gewetensonderzoek.

Er is reden om de gevolgen van de Amerikaanse hubris te vrezen. Maar de enige manier om het Amerikaanse empire te beïnvloeden, al is het dan ook marginaal, is door kritische steun, niet door afzijdigheid. Voor de diplomatieke rol van Frankrijk valt te hopen dat het volgende rapport van de wapeninspecteurs van de VN duidelijker argumenten voor interventie zal bieden dan het vorige.

Dominique Moïsi is onderdirecteur van het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen in Parijs.