VS verdienen steun Nederland

Na het weifelachtige beleid inzake Irak is het nu de hoogste tijd dat Nederland de Verenigde Staten helderheid verschaft, vindt A. van Staden.

Eind vorige week hebben de Amerikanen minister de Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken tijdens zijn bezoek in Washington gevraagd om militaire steun van Nederland bij een militaire actie tegen Irak. Dit, naast het sturen van Patriot-luchtdoelraketten naar NAVO-bondgenoot Turkije. Hoewel over de aard van het verzoek geen mededelingen zijn gedaan, valt aan te nemen dat aan Amerikaanse zijde aan een meer dan symbolische bijdrage wordt gedacht. Het is te hopen dat het kabinet daarover vrijdag een positief besluit neemt. Met zo'n stap zou Nederland zich kunnen revancheren voor de weifelachtige en onduidelijke koers die het tot dusver in de kwestie Irak heeft gevaren.

Na eerst al in september in een brief aan de Kamer het vereiste van een VN-mandaat voor militaire actie tegen Irak te hebben gerelativeerd, stemde de regering begin december in met een Amerikaans verzoek deel te nemen aan de militaire planning van een eventuele aanval op dit land. Nog dezelfde maand werd echter afwijzend gereageerd op een verzoek uit Londen een transportschip en eenheden mariniers ter beschikking te stellen van een Britse vlootoefening in het oostelijk deel van de Middellandse Zee. Zogenaamd om technisch-operationele redenen.

Nederland wilde niet de indruk wekken vooruit te lopen op deelname aan militaire acties. Anderzijds hield Nederland welbewust politieke afstand van de opstelling van Frankrijk en Duitsland. Deze twee landen vonden elkaar als zelfverklaarde anti-oorlogspartij in een afwijzing van de Amerikaanse politiek. Anders dan zijn Benelux-partners België en Luxemburg koos Nederland eind vorige maand in de NAVO-Raad partij tegen Frankrijk en Duitsland door steun te betuigen aan noodplannen die het bondgenootschap heeft opgesteld met het oog op een gewapend conflict. Maar korte tijd daarna weigerde de Nederlandse regeringsleider zijn handtekening te zetten onder de befaamde brief van de Acht (onder aanvoering van de Spaanse minister-president Aznar en zijn Britse collega Blair), die bedoeld was als betuiging van solidariteit met de Verenigde Staten. Het officiële argument van de Nederlandse regering dat zij het streven naar een gemeenschappelijk Europees beleid niet wenste te doorkruisen, zal weinigen hebben overtuigd.

Het gevolg van de Nederlandse afzijdigheid ten opzichte van de twee hoofdstromen onder de Europese landen, was dat ons land in een positie van isolement kwam te verkeren. In feite stonden we met de Grieken en de zogeheten neutrale landen op een klein politiek eiland. Dit te constateren zou aanleiding kunnen zijn tot het leveren van diepzinnige beschouwingen over de doorwerking van oude neutraliteitstradities die de pro-atlantische reflexen van de huidige minister van Buitenlandse Zaken en grote delen van het ministerie van Buitenlandse Zaken in bedwang hebben gehouden. Te vrezen valt dat de politieke werkelijkheid banaler is.

De diplomatieke slingerbewegingen van Nederland gedurende de afgelopen maanden in het dossier Irak, lijken meer te maken te hebben met de eisen van de binnenlandse politiek dan een weerspiegeling te zijn van tegenstrijdige, terugkerende tendensen in ons buitenlands beleid. Het vermoeden dringt zich op dat het Nederlandse beleid bovenal wordt beheerst door het verlangen van de regering aan het thuisfront zo weinig mogelijk politieke vingers te branden.

Na de jongste verkiezingen is daar als complicerende factor bijgekomen dat het CDA het zich als grootste partij moeilijk kan veroorloven een zware hypotheek te leggen op toekomstige regeringssamenwerking met de PvdA door te veel een pro-Amerikaanse koers te varen. De omklemming van de buitenlandse politiek door de binnenlandse politiek is geen goede uitgangspositie voor het uitoefenen van invloed. Onder internationale crisisomstandigheden dient buitenlandse politiek nationale politiek te zijn.

Het is waar: ook na Powells indrukwekkende optreden in de Veiligheidsraad, vorige week woensdag, blijft bij ieder weldenkend mens de twijfel knagen aan de volstrekte noodzaak en wijsheid van militair optreden tegen Irak. Maar er bestaat een ernstig vermoeden dat dit land nog steeds beschikt over een vermogen tot aanmaak van chemische en biologische wapens, en het risico dat deze wapens in handen komen van terroristen is reëel. Tegen deze dreiging volstaat een politiek van indamming (containment) helaas niet. Wie tezamen met gelijkgezinde landen (in Europa is dat op het gebied van de externe veiligheid in de eerste plaats Groot-Brittannië) op behoedzame wijze een corrigerende rol wil spelen ten opzichte van het Amerikaanse beleid, maakt meer kans van slagen zijn doel te bereiken vanuit een positie van kritische ondersteuning van de Amerikaanse opstelling dan vanuit een houding van afzijdigheid, laat staan regelrechte oppositie.

In dit verband is ook weinig heil te verwachten van aansluiting bij een nieuw Frans-Duits voorstel waarover nu volop wordt gespeculeerd, te weten het plan het inspectieregime in Irak aanzienlijk uit te breiden en te versterken met een VN-vredesmacht. Zelfs al zou dit plan politiek uitvoerbaar zijn, dan nog zou te veel tijd verstrijken alvorens men Saddam Hussein kan dwingen tot volledige ontwapening.

Mocht militaire actie tegen Irak onafwendbaar zijn, dan dient alles op alles te worden gezet om via de Veiligheidsraad de vereiste legitimatie te verkrijgen. Zonder een dergelijke legitimatie is de kans op schadelijk gevolgen van militaire interventie veel groter dan met instemming van de VN. Het spreekt vanzelf dat de Nederlandse regering geen gelegenheid ongebruikt dient te laten hierop te wijzen. Maar tegelijk mag zij de Amerikanen niet in twijfel laten over onze uiteindelijke bereidheid een passende en evenredige bijdrage te leveren wanneer het uur van de waarheid zal hebben geslagen. Het aanbieden van een of twee oorlogsbodems voor ongevaarlijke patrouillevaarten zou ook ditmaal beneden de maat zijn. De overweging dat per slot van rekening de VS, ondanks alle gerechtvaardigde kritiek op bepaalde zienswijzen van de regering-Bush, het land blijven waarvan ook onze veiligheid in de toekomst afhankelijk blijft, is voor een tegemoetkoming aan het jongste Amerikaanse verzoek niet het slechtste argument.

Dr. A. van Staden is directeur van het Instituut Clingendael in Den Haag en deeltijdhoogleraar aan de Universiteit Leiden.