Spannend

Het was gisteren een slopende sportdag. Na afloop was ik niet zo gebroken als Tjerk Bogtstra, coach van het verliezende Davis-Cupteam, maar het scheelde weinig. Bogtstra had nog het voordeel dat hij door zijn verliezende spelers kon worden getroost de eerste keer dat ik dat na een sportevenement zag gebeuren. Maar wie stond er klaar om mij te troosten?

Drie dagen zit je in spanning bij zo'n landenduel en na afloop voel je je als een doorgeprikte ballon, futloos, dadenloos, wezenloos. Al die opwinding, blijdschap en wanhoop, het was allemaal tevergeefs. De enige die dat al tijdens de partijen ook als hij zelf speelt soms lijkt te beseffen is Sjeng Schalken. Kijk naar de melancholie in dat holle gelaat en je ziet iemand die niet begrijpt waar iedereen zich zo druk om maakt.

Nog een paar jaartjes in dit gekkenhuis, denkt Sjeng, en daarna zien ze me nooit meer. Naast hem schreeuwen Raemon Sluiter en Paul Haarhuis de huig uit hun keel om collega Verkerk aan te moedigen, maar Sjeng doet alleen een beetje mee om niet uit de toon te vallen.

Als het erop aankomt, moet de supporter alles in z'n eentje verwerken. Supporters vallen elkaar alleen uit vreugde om de hals, nooit uit verdriet dan zie je ze schichtig wegduiken en naar hun treinen en auto's afdruipen.

De narigheid begon al vroeg in de middag bij Ajax-Feyenoord in de Arena. Gedurende het eerste halfuur was Feyenoord zoveel sterker dat mijn Amsterdamse achterbuurman riep: ,,Waar blijft de Amsterdamse bluf nou? Geef 's een doodschop, godverdomme. Da's tenminste een signaal.'' En toen een Ajax-speler eindelijk een voorzichtige poging tot doodslag waagde: ,,Op die achilles, zo ja. Geef 'm een keek.''

Gelukkig volgden de spelers deze raad niet en masse op. Het bleef een tamelijk sportieve en zeer boeiende wedstrijd. Mijn verlangen groeide weer naar een voetbalcompetitie waarin de top-drie elkaar niet tweemaal maar viermaal per seizoen treffen. Ik wil zo graag minder (of helemaal niet) Ajax-RBC zien en méér Ajax-Feyenoord en Ajax-PSV.

Ajax kwam goed terug en nam het initiatief zelfs van Feyenoord over, maar de uitslag was voor de Amsterdammers wranger dan voor de Rotterdammers. Een dubieus Rotterdams tegendoelpunt (duwen van Van Persie, zoals hij ook zelf toegaf) en gemiste kansen in een enerverend slotoffensief was het vreemd dat het Amsterdamse legioen zwijgzaam huiswaarts keerde?

Optimistisch als altijd klampte ik me vast aan hét pluspunt van de middag. Ik zag de geboorte van een grote voetballer. Bij Ajax speelde de 18-jarige Wesley Sneijder op het middenveld zijn eerste belangrijke wedstrijd. In dat kleine lichaam van hem schuilt een geweldig talent. Hij trapt links even gemakkelijk als rechts, heeft een scherp spelinzicht en passeert gemakkelijk. Het zou me niets verbazen als hij de beste voetballer van zijn generatie wordt, beter nog dan Rafael van der Vaart.

Het middenveld van een toekomstig Nederlands elftal zag ik opeens scherp voor me: Van Bommel, Van Persie, Van der Vaart en Sneijder. Van Persie? Jazeker. Hij kan voortreffelijk voetballen en bovendien mag je ook als columnist de klantenbinding met de Rotterdamse lezers niet helemáál uit het oog verliezen.

    • Frits Abrahams