`Onze cliënte is in de wacht gezet'

In het buitenland hebben de erven Goudstikker al vijf schilderijen teruggekregen. Ook in Nederland zien de advocaten nu `een perspectief op teruggave'.

Bijna twee jaar hebben de advocaten van de erven Goudstikker gewacht op de aanbevelingen van de commissie-Ekkart voor de teruggave van kunstwerken die in de oorlog uit het bezit van Nederlandse kunsthandelaren in Duitse handen zijn gekomen. Nu die aanbevelingen er eindelijk zijn, vragen mr. R.O.N. van Holthe tot Echten en prof. mr. H.M.N. Schonis zich af waarom het zo lang moest duren voordat de commissie-Ekkart over de brug kwam met dit advies aan de regering. Van Holthe: ,,Voorjaar 2001 presenteerde de commissie een advies over teruggave van kunst aan particulieren die hun bezit in de oorlog kwijtraakten aan de Duitsers. Toen werd aangekondigd dat een aparte reeks aanbevelingen zou volgen met betrekking tot de kunsthandel omdat daaraan complicaties verbonden waren. Nu blijkt dat het door de commissie voorgestelde teruggavebeleid ten aanzien van de kunsthandel nauwelijks afwijkt van dat voor particulieren die in de oorlog gedupeerd raakten. In beide gevallen wil de commissie dat het beleid wordt versoepeld en dat een juridische benadering wordt losgelaten. Het is wel zuur voor onze cliënte, Marei von Saher, dat ze als erfgename van de familie Goudstikker twee jaar lang in de wacht werd gezet.''

Marei von Saher, de Amerikaanse schoondochter van kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940), is sinds 1997 verwikkeld in een strijd met de Nederlandse regering over 235 schilderijen. Nadat Jacques Goudstikker in mei 1940 op zijn vlucht naar Engeland om het leven was gekomen, werd zijn collectie zonder toestemming van zijn weduwe door zijn zaakwaarnemers in twee transacties verkocht. Zo'n 800 schilderijen gingen voor twee miljoen gulden naar de Duitse rijksmaarschalk Göring, de onroerende goederen plus 330 schilderijen kwamen in handen van de Duitser Alois Miedl, die de kunsthandel in de oorlog voortzette. Na de oorlog werden 300 van de aan Göring verkochte schilderijen naar Nederland gerecupereerd. De weduwe van Goudstikker zag, wat die schilderijen betreft, af van rechtsherstel. Volgens de advocaten van de erven Goudstikker omdat ze door de Stichting Nederlands Kunstbezit, die na de oorlog belast was met de teruggave van de uit Duitsland gerecupereerde kunst, werd misleid: de SNK deed het voorkomen alsof de verkoop aan Göring voor haar heel voordelig was geweest. De 300 schilderijen kwamen vervolgens in het bezit van de Nederlandse staat. Een deel werd op de veiling verkocht, de overige 235 hangen nu in Nederlandse musea en ambassades. Over de transactie met Miedl kwam de weduwe, tegen haar zin, met de Nederlandse staat tot een schikking.

Marei von Saher diende begin 1998 een claim in voor de 235 schilderijen, maar die werd door de toenmalige staatssecretaris voor cultuur, A. Nuis, afgewezen. Daarop stapte ze naar de rechter, die in december 1999 haar eis tot rechtsherstel op formeel-juridische gronden eveneens afwees. Op de vraag wat ze sindsdien hebben ondernomen zeggen de advocaten: ,,Niets. Er lopen nog twee procedures, een civiele en een administratief-rechterlijke. Maar die procedures slapen omdat we steeds gewacht hebben op de kunsthandel-aanbevelingen van de commissie-Ekkart. Nu die er zijn, zien we weer licht in de tunnel. Vijf jaar geleden stuitte Marei von Saher nog op een botte weigering van de Nederlandse regering. Maar toen was er nog geen teruggavebeleid voor oorlogskunst geformuleerd en er bestond nog geen commissie-Polak, die sinds vorig jaar over elke claim afzonderlijk advies uitbrengt aan de regering. Die commissie stelt zich veel soepeler en minder juridisch op dan de regering deed.

,,Over de Goudstikker-claim kon de commissie-Polak geen advies uitbrengen omdat er nog geen aanbevelingen waren voor een beleid ten aanzien van de kunsthandel. Nu die er wel zijn, hopen we dat die commissie zich nog dit jaar over de Goudstikker-zaak zal buigen. En dan kan zij er volgens ons niet omheen dat de weduwe Goudstikker na de oorlog groot onrecht is aangedaan.''

Omdat een deel van de door Göring gekochte schilderijen na de oorlog in het buitenland terechtkwam, nam Marei von Saher drie jaar geleden ook een Amerikaanse advocaat in de arm. Van Holthe: ,,Hij heeft tot nu toe meer succes gehad dan wij in Nederland, dat is wel wrang. In het buitenland zijn door particulieren al vijf schilderijen en een tekening uit de Goudstikker-collectie teruggegeven aan Von Saher. En een Nederlandse particulier heeft een aquarel van de 18de-eeuwse schilder Abraham van Strij aan haar afgestaan. Maar wij houden ons alleen bezig met de terugvordering van de schilderijen uit het bezit van de Nederlandse staat.''

De Goudstikker-claim wordt gesteund door het World Jewish Congress in New York, maar het WJC financiert de zaak niet: ,,Marei von Saher draait zelf op voor alle onkosten. Wij werken niet op uurbasis voor haar, dat zou onbetaalbaar zijn. Maar het kost haar toch veel geld. Ze heeft er tabak van dat de zaak zo lang sleept, maar ze wil tot het eind doorgaan. Ze heeft nu al haar hoop gevestigd op de uitspraak van de commissie-Polak.''

Toen Marei von Saher in 1997 voor het eerst contact opnam met de Nederlandse regering over de Goudstikker-schilderijen, dacht ze nog aan een minnelijke schikking. Staatssecretaris Nuis ging daar niet op in en dat was voor haar reden om in 1998 alle 235 schilderijen terug te eisen. Van Holthe en Schonis vinden dat een schikking in dit stadium niet aan de orde is: ,,Volgens het huidige beleid hoort de Nederlandse staat die 235 schilderijen terug te geven. Wij hebben vijf jaar lang met de pootjes omhoog gelegen en verzocht deze zaak in der minne te schikken. Nu er eindelijk perspectief is op teruggave, gaan wij niet nog eens over een schikking praten. Dat initiatief zou nu van de Nederlandse staat moeten komen.''