Museum wist al van brieven Van Gogh

De onlangs in New York opgedoken brieven van Vincent van Gogh aan zijn vriend Emile Bernard zijn een jaar geleden openbaar gemaakt door de eigenaar. Dit zegt Leo Jansen van het Van Gogh Museum.

Volgens eerdere berichten in de media zouden de eenentwintig ,,verloren gewaande'' brieven het afgelopen weekeinde pas zijn opgedoken bij de New Yorkse kunsthandelaar Eugene Victor Thaw. Volgens een berichtje in het Algemeen Dagblad had Thaw op de Duitse televisie verklaard de brieven onlangs te hebben gekocht.

Leo Jansen, die zich sinds 1994 bezighoudt met het voorbereiden van een nieuwe wetenschappelijke uitgave van brieven van en aan Vincent van Gogh, zegt dat hij en de collega kunsthistorici die zich bezighouden met het project al in januari 2002 door Thaw werden ingelicht. De kunsthandelaar, die de brieven zou hebben gekocht van de bankiersfamilie Rothschild, hechtte eraan de brieven toegankelijk maken voor kunsthistorisch onderzoek.

Jansen, die de brieven aan Bernard inmiddels heeft gezien en bestudeerd, zegt dat deze nooit `verloren zijn gewaand'. ,,Niemand vernietigt dergelijke brieven, iedereen kent de waarde ervan. We hebben alleen nog niet alle originele brieven kunnen traceren.''

De weduwe van Vincents broer Theo, Jo van Gogh-Bonger, verzorgde met de publicatie in 1914 van Brieven aan zijn broeder de eerste grote uitgave over de correspondentie van de schilder. Voor de nieuwe, wetenschappelijke tekstuitgave is het noodzakelijk alle oorspronkelijke documenten te bestuderen om die te kunnen toelichten. In een oproep in The Art Newspaper (april 2001) vroeg het Van Gogh Musuem ook naar de inmiddels getraceerde brieven van Bernard. Deze brieven waren overigens in 1911 al in het oorspronkelijke Frans gepubliceerd door Emile Bernard zelf. In 1938 werden ze in het Engels vertaald door Douglas Cooper, die ze publiceerde onder het pseudoniem Douglas Lord. Volgens Jansen heeft het bestuderen van de originelen niet tot verrassingen of tot andere inzichten geleid.

Het brievenproject, een samenwerking tussen het Van Gogh Museum en het Constantijn Huygens Instituut, zal naar verwachting pas tegen 2008 zijn afgerond en zijn vastgelegd in een publicatie van circa 10.000 pagina's.