In 1956 waren de rollen omgedraaid

Zonder machtswisseling in Bagdad zal de huidige crisis rondom Irak ernstige en misschien wel onherstelbare schade toebrengen aan de Amerikaanse geloofwaardigheid in de strijd tegen het terrorisme en aan de internationale betrekkingen. Volgens Henry A. Kissinger staat het Atlantisch bondgenootschap op het spel.

De weg naar ontwapening van Irak heeft geleid tot de ernstigste crisis in het Atlantische bondgenootschap sinds dat vijftig jaar geleden werd gevormd. Het meest uitzonderlijke aan de controverse is dat ze eigenlijk zo weinig te maken heeft met de werkelijke keuzeproblemen van de Atlantische landen.

Vragen als `moet er na nog een aantal maanden van inspecties militair worden ingegrepen' of `is het werkelijk mogelijk het bewind van Saddam Hussein in bedwang te houden' verbleken bij de kernvraag, die grof gesteld als volgt luidt: Als de Verenigde Staten zouden wijken voor de dreiging van een Frans veto of als Irak door het optreden van onze bondgenoten zou worden aangemoedigd om af te zien van de weinige niet-militaire mogelijkheden die nog openstaan, dan zou dit leiden tot een ramp voor het Atlantische bondgenootschap en voor de internationale orde in het algemeen. Als de crisis eindigt zonder een machtswisseling in Bagdad, zal dat ernstige en misschien wel onherstelbare schade toebrengen aan de geloofwaardigheid van de Amerikaanse macht in de oorlog tegen het terrorisme en aan de internationale betrekkingen.

In dergelijke omstandigheden zullen de regeringen die de Amerikaanse troepenopbouw in het gebied hebben gesteund of toegestaan, in gevaar komen of zich gedwongen zien een uitweg te zoeken. Als het bewind van Saddam Hussein aan de macht blijft, op grond van de stelling dat hij heeft voldaan aan VN-resolutie 1441 of dat er geen afdoend bewijs van schendingen bestaat, heeft het VN-proces een debacle opgeleverd. Dan worden de sancties opgeheven of aanmerkelijk verlicht, zoals twee jaar geleden al bijna gebeurde. Irak zal hieruit tevoorschijn komen als het rijkste land in het gebied, met ofwel heimelijke voorraden massavernietigingswapens ofwel nieuwe die het bouwt met de extra middelen die door de opheffing van de sancties vrijkomen.

Maar als het Frankrijk en Duitsland daar niet om te doen is, wat is dan wel hun doel? Een tegemoetkoming aan een onvermurwbare publieke opinie, die hun leiders eerder aanwakkeren dan proberen vorm te geven? Het dwarsbomen van een machtige bondgenoot? Een Franse premie op de huidige Duitse introvertie in ruil voor een grotere stem in de Europese Unie? Het feit dat deze crisis in zo'n laat stadium van het politieke proces is uitgebroken, duidt op een verbazend gebrek aan Europees begrip voor de Amerikaanse realiteiten. Nadat VN-resolutie 1441 in november 2002 was aangenomen, hoefde geen enkele regering eraan te twijfelen of Amerika zou binnen enkele maanden schendingen vaststellen en op maatregelen aandringen. Waarom dan wel voor die eerste resolutie stemmen en bij het onvermijdelijke vervolg met een veto dreigen? Uiteindelijk zal het Franse realisme Frankrijk niet toestaan afzijdig te blijven als zijn sterkste bondgenoot – die twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog aan zijn kant heeft gestaan – met een coalitie van bereidwilligen zijn essentiële belangen behartigt.

Het kan niet in het Franse belang zijn om alle terroristische remmingen te laten varen en de fundamentalisten te bevestigen in hun opvatting over de psychologische instorting van het Westen. Bovendien zullen Frankrijk en Duitsland rekening moeten houden met de Europese landen die zich van hun standpunt over Irak hebben gedistantieerd, als ze in de nabije toekomst hun positie in Europa willen behouden. Een van de denkbeelden die in de huidige consternatie wel eens zouden kunnen sneuvelen, is dat de Europese identiteit te ontlenen is aan een optreden als tegenwicht voor de Verenigde Staten.

Maar ook als Frankrijk op den duur berust – en dat is wel waarschijnlijk – zal er een erfenis van wantrouwen op de Atlantische betrekkingen blijven drukken. Bij de noodzakelijke herbeoordeling van de bestaande vergiftigde sfeer zou het goed zijn om van de geschiedenis te leren. De twee partijen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan herhalen een toneelstuk waarin ze al eens eerder de hoofdrolspelers waren, en wel in hetzelfde gebied: het Midden-Oosten. Alleen zijn de rollen nu volstrekt omgekeerd.

Halverwege de jaren vijftig beschouwden Groot-Brittanië en Frankrijk zich nog altijd als grote wereldmachten. Groot-Brittannië had bijzondere belangen in Egypte en de Golf, Frankrijk in Syrië en Libanon. Voor onze Europese bondgenoten vormden deze belangen een flank van de Koude Oorlog. Naarmate ze zich sterker bewust werden van hun gebrek aan middelen om daaraan vast te houden, nodigden ze Amerika uit tot een gezamenlijke inspanning in het Midden-Oosten, zoals het ook was gegaan met betrekking tot Griekenland en Turkije toen Groot-Brittannië het niet meer alleen af kon.

Maar de Verenigde Staten bedankten voor de eer. Ze waren niet bereid zich te vereenzelvigen met de Britse en Franse belangen in het Midden-Oosten (die ze in een wezen als koloniaal zagen), min of meer zoals onze Europese critici zich op het ogenblik wensen te distantiëren van de Amerikaanse definitie van VS-belangen in het gebied. En net zoals onze Europese critici op dit moment wel de oorlog tegen het terrorisme steunen maar erop aandringen die te voeren met middelen gericht op een vreedzame beslechting, zo probeerden de Verenigde Staten in de jaren vijftig hun Koude-Oorlogsstrategie te dienen door zich in regionale kwesties te distantiëren van hun Europese bondgenoten, in de verwachting dat postkoloniale regimes dan wel de kans aangrepen om zich aan te sluiten bij de strijd tegen het Sovjet-imperialisme. Maar zo ging het niet. De postkoloniale radicale leiders behandelden de Amerikaanse toenaderingen als een nuttig steuntje van een imperialistische renegaat, en maar heel zelden als daden van een bondgenoot in de Koude Oorlog. Terwijl de rol van Groot-Brittannië en Frankrijk afnam, werden de Verenigde Staten zelfs steeds meer het doelwit van het radicalisme in Midden-Oosten, dat Moskou beschouwde als een handig breekijzer om concessies af te dwingen. Deze tendens werd vooral zichtbaar nadat de Sovjet-Unie het kordon langs haar zuidgrens had doorbroken door eerst wapens aan Egypte en toen aan allerlei ontwikkelingslanden te verkopen.

Het verschil in perspectief werd kritiek toen de Egyptische president Gamal Abdul Nasser op 26 juli 1956 het Suezkanaal nationaliseerde. Groot-Brittannië en Frankrijk beschouwden dit als een dodelijke bedreiging voor hun levensader met het Midden-Oosten - en voor hun status als grootmacht. Ze vergeleken Nassers beweegredenen met die van Hitler en verklaarden dat een uitkomst die één enkele mogendheid zou toestaan ,,[het kanaal] louter voor nationale doeleinden aan te wenden'' onaanvaardbaar zou zijn.

Dit zou het teken moeten zijn geweest dat Groot-Brittannië en Frankrijk – landen waarvan de leiders hadden ondervonden dat `appeasement' de grootste zonde is – bereid waren een oorlog te riskeren. Maar de VS waren dat niet. En Washington beschouwde de Britse en Franse waarschuwingen als onderhandelingsmanoeuvres. De regering-Eisenhower aanvaardde formeel de Europese doelstelling van een internationaal gegarandeerd gebruik van het Suezkanaal. Maar ze verwierp het gebruik van geweld.

In zulke omstandigheden nemen diplomaten hun toevlucht tot tijdrekken en proberen zij het probleem in de vorm van een procedure te gieten – zoals onze Europese critici nu in de VN-Veiligheidsraad doen. En de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles was een meesterdiplomaat. Op 1 augustus 1956 stelde hij een maritieme conferentie voor van de 24 belangrijkste zeevarende naties om een systeem te ontwerpen voor vrije vaart door het kanaal. Maar hij ontkrachtte het belang van dat voorstel op 3 augustus door te zeggen: ,,We willen niet met geweld reageren op geweld.'' De Egyptische leider Nasser verwierp het plan vervolgens op 10 september. Drie dagen later kwam Dulles met het voorstel een `Organisatie van Gebruikers' op te richten om het kanaal te exploiteren en inkomsten van schepen te te innen net buiten de Eygptische territoriale wateren aan beide kanten van het kanaal. Opnieuw ondermijnde Dulles zijn eigen voorstel door het gebruik van geweld af te zweren. Op 12 oktober namen de Verenigde Naties een plan van zes punten aan dat een combinatie was van de conclusies van de maritieme conferentie en enkele elementen van de organisatie van gebruikers. Het werd getroffen door een veto van de Sovjet-Unie.

Uit ergernis en frustratie trokken Groot-Brittannië en Frankrijk ten oorlog. als gevolg van ondeskundige planning, in verwarring gebracht door de gelijktijdige onderdrukken door de Sovjet-Unie van de Hongaarse revolutie en belast door het inschakelen van Israël als bondgenoot, zagen Britten en Fransen zich geconfronteerd door een massal gesteunde kritiek in de Verenigde Naties. De tegenstand in de VN werd aangevoerd door de Verenigde Staten, die – voor het eerst in de Koude Oorlog – met de Sovjet-Unie tegen hun bondgenoten stemden. Bovendien zag Washington ervan af de Europese valuta te steunen op de financiële markten.

Hier stopt de overeenkomst met het heden. Frankrijk en Duitsland hebben nog steeds de optie zich te laten overtuigen door de presentatie die minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, woensdag voor de Veiligheidsraad hield, of door het rapport van Hans Blix van komende vrijdag. Bij het nemen van dat besluit moeten de Amerikaanse critici zich herinneren, dat geen van de goedwillende doelen die de Amerikanen in 1956 probeerden te bereiken door afstand te nemen van hun bondgenoten, is gehaald. Nasser toonde geen dankbaarheid voor het feit dat hij gered was wegens de Amerikaanse bezorgdheid om de reactie in de niet-gebonden wereld. In plaats daarvan presenteerde hij het resultaat als een persoonlijke overwinning die met moeite was onttrokken aan een terughoudend Amerika. Pro-Westerse regimes in het Midden-Oosten, moesten het veld ruimen. Dat gold ook voor Irak, en dat was het begin van een serie radicale uitbarstingen in Bagdad.

Binnen vijf jaar vielen Egyptische troepen Jemen binnen. In 1967 maakte Nasser een eind aan de beperkende maatregelen die sinds de Suezcrisis van kracht waren geworden aan de grens met Israël en in de Straat van Tiran. Dat was de opmaat naar de Zesdaagse Oorlog, waarna Egypte de betrekkingen met de VS verbrak. Deze werden pas hersteld toen Anwar Sadat in 1973 tot de conclusie kwam dat het chanteren van Amerika met Sovjet-wapens een doodlopende straat was – een les die twintig jaar eerder ook had kunnen worden getrokken.

De Sovjet-Unie legde de meningsverschillen die tijdens de Suzes-crisis binnen het Westerse kamp voorkwamen uit als een kans om deze onenigheid dichter bij huis uit te buiten. In 1958 stelde Nikita Chroesjtsjov een ultimatum dat leidde tot vier jaar crisis om Berlijn.

Het meest ingrijpende effect had de Suezkwestie op het Westerse bondgenootschap zelf, hoewel dit pas na jaren duidelijk werd. Het Franse besluit om een eigen kernmacht te op te zetten kwam hetzij voort uit, of ontving een enorme stimulans van de crisis waarin de Verenigde Staten met de Sovjet-Unie mee stemden en Chroesjtsjov zich vrij voelde om Groot-Brittannië en Frankrijk met kernwapens te bedreigen. Zelf de Duitse kanselier Konrad Adenauer, in feite de beste vriend die Amerika in Europa had, zag in de Suez-crisis de mogelijke voorloper van een diplomatie waarin Europa een toeschouwer is, tenzij het een onafhankelijke koers voor zichzelf kon uitzetten. Volgens de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Christian Pineau, zei Adenauer op de dag dat Groot-Brittannië en Frankrijk het Amerikaanse ultimatum hadden aanvaard: ,,Er blijft (voor de Fransen en de Britten) maar één manier over om een beslissende rol te spelen in de wereld.[...] We mogen geen tijd verspillen. Europa zal onze wraak zijn.''

De geschiedenis herhaalt zich natuurlijk nooit exact. Nasser was geen Saddam Hussein; de dreiging van Derde-Wereld radicalen met Russische wapens was minder verraderlijk dan de huidige combinatie van terrorisme en massavernietigingswapens. Maar toen, net als nu, was het Amerika's taak om de strategische gevaren te overwinnen en tegelijkertijd het streven naar waardigheid, gelijkheid en vooruitgang van de volkeren in het gebied aan te moedigen. Voor dat doel was de vernedering van bondgenoten niet noodzakelijk.

Men kan stellen dat uit de Suezcrisis blijkt dat, over een langere periode, indamming (containment) effectiever is gebleken dan confrontatie. Die stelling wordt weersproken door de hierboven beschreven consequenties. En er was een fundamenteel verschil: in de jaren vijftig hadden de Verenigde Staten de optie om Groot-Brittannië en Frankrijk te vervangen in het zoeken naar stabiliteit en vooruitgang in de regio; Frankrijk en Duitsland missen een vergelijkbare optie als de crisis slecht eindigt. Er is dan geen rem op verdere radicalisering.

Het hoofdprobleem toen en nu is de aard van allianties, vooral als er geen Sovjet-bedreiging bestaat die grenzen stelt aan de meningsverschillen tussen bondgenoten. Tijdens de Suezcrisis stelde Amerika drie principes voor: dat de verplichtingen van bondgenoten werden beperkt door een nauwkeurig geformuleerd wettelijk handvest; dat gebruik van geweld alleen toelaatbaar was in strict omschreven gevallen van zelfverdediging; en dat de Verenigde Staten de mogelijkheid hadden om in ontwikkelingslanden relaties op te bouwen die feitelijk ten koste gingen van de bondgenoten. Deze principes worden nu met vergrote kracht door de Europese critici tegen Amerika gebruikt.

Ze waren niet geldig toen de Koude Oorlog een aantal onontkoombare noodzakelijkheden bepaalde. Tegenwoordig zijn ze zelfs gevaarlijk nu het internationale systeem voor potentieel revolutionaire veranderingen staat; Schadenfreude is geen beleid. Allianties functioneren niet omdat staatshoofden hun advocaten raadplegen; ze gedijen vooral goed wanneer ze zijn gebasserd op morele en emotionele betrokkenheid die verder gaat dan juridische documenten. En allianties met partners die denken dat ze op de lange termijn kunnen profiteren van het falen van hun bondgenoten, veranderen in een contradictio in terminis. Als de Atlantische Alliantie relevant wil blijven voor de uitdagingen in de nieuwe periode, moeten haar leiders een nieuwe definitie vinden voor deze imperatieven.

Henry Kissinger is oud-minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten.

© Tribune Media Services International.