Zeeuwse zeenaaktslakken

Het gaat hard met de zeenaaktslak in Nederland. De laatste vijftien jaar zijn al twintig nieuwe soorten ontdekt. Een week geleden is Eubranchus farrani voor het eerst aangetroffen, in het Grevelingenmeer. De soort, die tot 23 mm groot kan worden, was al bekend van de West-Europese kust vanaf Noorwegen tot in de Middellandse Zee. Maar in Nederlandse wateren was-ie onbekend.

Volgens Peter van Bragt, sportduiker en bioloog, is het milieu van de Zeeuwse Delta door de aanleg van de Deltawerken fysiek en ecologisch zodanig veranderd dat er nu een nieuwe niche is ontstaan die ruimte biedt aan tal van nieuwe soorten. ``Het is een langzame ontwikkeling, maar de natuur heeft de tijd. Door de Deltawerken is de hoeveelheid hard substraat toegenomen, is de stroming verminderd, het zicht onder water verbeterd en het getij afgenomen. Daar profiteren allerlei organismen van, die op hun beurt weer een niche vormen voor andere dieren. Zo is er de laatste jaren in grote delen van de Zeeuwse delta een korstspons gaan groeien die weer een nieuwe niche biedt voor zeenaaktslakken.'' Ook Nederlands enige koraalsoort (het dodemansduim), de sierlijke slibanemoon, een nieuwe Japanse zakpijpsoort en een zeldzame vissoort als de zonnevis hebben zich recent in deze omgeving aangediend.

De nieuwe zeenaaktslak Eubranchus is waarschijnlijk met Noordzeewater via de spuisluis in de Brouwersdam in het Grevelingenmeer terecht gekomen. Volgens Van Bragt komt het nieuwe spuiregime ten goede aan de mariene biodiversiteit, zij het dat de biodiversiteit van het Grevelingenmeer nog altijd lager is dan die van de Oosterschelde.

Een andere immigratiefactor is volgens Van Bragt de aanzienlijke import van mosselen en oesters uit het buitenland. ``Er worden op dit moment vanwege problemen met de eigen kweek heel veel schelpdieren aangevoerd vanuit onder andere de Baltische Zee, Ierland en Frankrijk. Met scheepsladingen tegelijk worden ze in de Oosterschelde gedumpt. Behalve jonge schelpdieren zit daar natuurlijk nog heel veel ander zeeleven bij.''

Volgens weekdierdeskundige prof.dr. Edi Gittenberger, verbonden aan het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden, is de recente toename van nieuwe soorten ook toe te schrijven aan de toegenomen belangstelling voor duiken in Nederland. ``Er is in Nederland nog nooit zo intensief en door alle jaargetijden heen gedoken als nu het geval is. Geen wonder dat er ook meer gevonden wordt. Maar er is duidelijk meer aan de hand.''

Van Bragt ziet dat ook. ``Vroeger kende men de zeefauna alleen van strandvondsten en de visvangst. Men keek niet goed wat in de netten zat en zeenaaktslakken spoelen zelden aan. De onderwatersport is nu heel populair en door informatieve websites en allerlei curssussen en samenwerking met onder andere Naturalis en het Rijksinstituut voor Kust en Zee is de kennis van het zeeleven onder sportduikers enorm toegenomen.'' Maar er zijn ook andere veranderingen, zegt Van Bragt. Zo ontdekte hij zelf in 1999 voor het eerst de millennium wratslak (Geitodoris planata) in de Zeeuwse wateren. ``Het ging toen om enkele exemplaren. Nu, krap vier jaar later, is de millennium wratslak uitgegroeid tot de meest algemene soort van de zeenaaktslakken in het gebied, en de groei zit er nog steeds in.''

Lang niet alle nieuwe soorten zijn blijvers. Van Bragt: ``De zeenaaktslakken Limatia clavigeria en de gekroonde ringsprietslak waren eventjes aanwezig, maar zijn na een paar jaar weer verdwenen.''

Trots is Van Bragt vooral op zijn ontdekking van de karmozijnrode knotsslak (Cuthona rubescens), die hij vorig jaar zomer in de monding van de Oosterschelde aantrof: ``Het is mijn bijzonderste vondst. Dit slakje is op de Europese continentale kust slechts een keer eerder, in Noorwegen, aangetroffen. En nu zit hij ineens hier.''

Gittenberger: ``Het Zeeuwse watermilieu is nog niet helemaal in evenwicht, ook al is het al dik twintig jaar geleden dat de Deltawerken gereed kwamen. Het verschijnen en verdwijnen van soorten is overigens een natuurlijk fenomeen. Het gaat erom of een soort in staat is een blijvende populatie te vestigen. Sommigen zeggen dat door het opwarmen van de aarde soorten naar het noorden opschuiven. Maar een flinke vorstperiode kan een populatie weer doen verdwijnen. Ook kan een nieuwe soort ineens door een inheemse soort ontdekt worden als een lekker hapje.''

Meer informatie op: www.anemoon.org