Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw

JET BUSSEMAKER (1998):

"Ik was al kritisch, maar dat zegt waarschijnlijk iedereen. Toch is het wel waar: twee jaar geleden heb ik met Adri Duivesteijn in de Volkskrant geschreven dat 'Paars' op was. Wij bepleitten toen een coalitie van PvdA, CDA en GroenLinks. Ik zie onze partij als ingeslapen en nu wakker geschrokken. Een Doornroosje.

"Zelf heb ik de afgelopen maanden opzettelijk moeilijke situaties opgezocht. Ik heb gewerkt met stadswachten en vuilnismannen. Dan kom je daar 's morgens om half acht en dan zie je ze kijken: daar heb je weer zo'n politicus. Ik zei dan: 'Waar zijn de pakken? Volgens mij moeten we aan de slag.' Op die manier leer je wat de mensen bezighoudt. Ons grootste risico is dat het werk hier ons weer opslokt. Dat we weer ruzie gaan maken over wie welk overlegje mag doen. We zouden ruzie moeten maken over wie het land in mag."

BERT KOENDERS (1997):

"Als je partij lang in de regering zit, ga je meedenken met de macht. Maar de kracht van een volksvertegenwoordiger is nu juist dat hij door alle hiërarchie heen kan breken. Hij kan iedereen bellen, kan overal terecht. Dat hebben wij niet goed genoeg gedaan. We hebben er onvoldoende detectivewerk van gemaakt. Dat moeten we nu wel doen: in plaats van in subcomités notities zitten te schrijven moeten we ons netwerk zo aanwenden dat we het een met het ander verbinden. We moeten investeren in contacten. Het is een nieuwe stijl: minder structuren, meer contacten."

SHARON DIJKSMA (1994):

"Ik vond vorig jaar: als de fractie wordt afgestraft, slaat dat ook op mij, als onderdeel van het collectief. Daarom heb ik dingen veranderd. Ik heb nu bijvoorbeeld een andere portefeuille, verkeer en waterstaat, want ik dacht: dat is goed, als je het roer om wilt gooien. En ik heb ook dingen veranderd in de manier waarop ik werkbezoeken afleg. Niet meer alleen de wijkraad met de modelbewoners als je een buurt bezoekt. Of de schooldirectie, het schoolbestuur en een door hen uitgezochte delegatie van leerlingen. Nee, ik begin tegenwoordig al op het schoolplein met praten.

"In de fractie hebben we vorige week vier werkgroepen ingesteld die alle vier werken aan dezelfde opdracht: nadenken over nieuwe manieren om het contact met de kiezers te onderhouden. Dus die werkgroepen beconcurreren elkaar. De beste voorstellen winnen. Dat noemen we het 'Nokia-model'. En we praten over de detective-methode. Dat betekent: als je het over geluidsnormen hebt, niet alleen met de deskundigen praten, maar ter plekke gaan luisteren hoe het nou precies zit met dat lawaai."

FERD CRONE (1994):

"Ik weet zeker van mezelf dat ik onder het vorige kabinet oppositie heb gevoerd, door van mij te laten horen op het gebied van de privatisering van de energiesector. Maar je werd toen anders bekeken. Als je in de regering zit, denken de mensen: hij zegt dat nou wel, maar straks sluit hij er natuurlijk weer een compromis over. Het is mij de afgelopen maanden in de oppositie een paar keer overkomen dat ik precies hetzelfde zei als daarvoor en dat mensen dan tegen mij zeiden: 'Zo! Echte oppositietaal!' Aan de andere kant waren er inderdaad thema's waarvan je zelf ook merkte: hier sluiten we zoveel compromissen over dat de mensen niet meer weten waar we staan. We moeten uitkijken dat de mensen ons niet opnieuw gaan zien als onderdeel van de compromissenmachine."

JELTJE VAN NIEUWENHOVEN (1981):

"Ik was het in algemene zin wel eens met de conclusies van De kaasstolp aan diggelen. Je zag het ook wel. Ikzelf was natuurlijk Kamervoorzitter. Ik zat niet in de fractie. Maar ik heb altijd gevonden: maak een combinatie tussen je hart en je hoofd. In die zin ben ik, denk ik, altijd een beetje anders geweest, ik ben mijn recalcitrantie nooit kwijtgeraakt.

"Toen ik vorig jaar een tijdje fractievoorzitter mocht zijn, heb ik ook meteen voorgesteld de structuren van de fractie te veranderen: commissies, subcommissies en subcommissievoorzitters, dat is toch nergens voor nodig. Ook als Kamervoorzitter heb ik mij altijd verzet tegen de ellenlange verhalen en het gebrek aan gewone-mensentaal. De mensen in het land willen dat je namens hen de vragen stelt die zij hebben. Een Kamerlid dat echt is, dat meent wat hij zegt, herkennen ze meteen."

KHADIJA ARIB (1998):

"Ik vind niet dat ik het niet goed heb gedaan, de afgelopen jaren. Margreeth de Boer zegt: je moet weten wat er in de samenleving gebeurt. Daar ben ik het mee eens: je moet je standpunt bepalen in gesprekken met mensen en openstaan voor de oplossingen die zij aandragen. Politici hebben vaak al een oplossing klaar, dat zit ingeroest bij ze. Of ze zijn braaf en voegen zich naar de discipline van de fractie. Maar ik ben vaak met plannen gekomen die mij werden aangereikt door de mensen in de zorg zelf, wat mijn portefeuille is. Ik heb moties ingediend die werden gesteund door de oppositie. Ik heb me gedragen als een volksvertegenwoordiger, vind ik."

JOSÉ SMITS (1998):

"Ik vind van mezelf dat ik middenin de samenleving sta. Dat vond ik toen ook. Maar blijkbaar hebben wij de mensen het gevoel gegeven dat we niet wisten wat er speelde. Ik heb daar de afgelopen maanden veel over nagedacht. Ik denk dat de mensen een volksvertegenwoordiger willen zien als hun bondgenoot, als iemand die met hen optrekt in de strijd, ook al wint hij dat gevecht dan niet altijd. Dan is het dus belangrijk om te laten zien dat je wat doet met, de dingen waar de mensen mee komen. Daarom heb ik voorstellen gedaan voor een soort ombudsfunctie, waar vragen worden geordend en ook behandeld. Je kunt ook denken aan kantoortjes in de regio waar mensen terechtkunnen."

ELLA KALSBEEK (1989):

"Je trapt makkelijk in de val van het alleen maar praten met organisaties en professionals, dat is mijzelf ook overkomen. Je krijgt daar ook massaal uitnodigingen van. Ik ben daarin al eerder dan vorig jaar veranderd. Mijn denken hierover kreeg een impuls toen ik in de vorige periode een tijdje staatssecretaris was. Dan krijg je namelijk nog minder te maken met gewone mensen. Je agenda wordt gevuld met ontmoetingen met mensen aan de top. Dat gebeurt met de beste bedoelingen, maat het komt erop neer dat je bijna bij de gewone mensen wordt weggehouden.

"Als ik nu ergens op werkbezoek kom, bijvoorbeeld in een verzorgingshuis, dan praat ik eerst met de mensen zelf, daarna met de verzorgenden en dan pas met de directie. Ik vind dat we voor het contact met de mensen ook meer tijd vrij moeten maken. Zelf denk ik tegenwoordig bij een erg technisch wetsvoorstel: allez, dat toetsen we marginaal."

NEBAHAT ALBAYRAK (1998):

"Voor zover ik ben veranderd als volksvertegenwoordiger, had dat te maken met onze nieuwe oppositierol. Dat begon ik ook net leuk te vinden. Ik kreeg op 16 mei Noord-Brabant toegewezen. Ik ben toen meteen gestart met een toernee langs dorpen en steden: wat speelt hier? De PvdA had te weinig van dit soort Kamerleden. En je merkt dat het aanslaat: ik had nu meer stemmen uit Noord-Brabant. Ik heb altijd kritiek gehad op het systeem, dus dat we geen districtenstelsel hebben. Daardoor ben je onzichtbaar bij de achterban. Zelf had ik wel een Turkse achterban natuurlijk. Het houdt je alert."

ADRI DUIVESTEIJN (1994):

"Ik was een van de criticasters van Paars. Wij waren als partij niet meer herkenbaar, het ideologische profiel was vervaagd. Dat heb ik altijd gezegd en dat heb ik ook in een aantal artikelen opgeschreven. Het laat onverlet dat de verkiezingsuitslag van vorig jaar heeft laten zien hoe ver wij afstaan van de mensen die we vertegenwoordigen. Wij vormen hier een systeem op zich, een bedrijf met eigen spelregels.

"Dat was ook al zo tijdens de verzuiling, maar toen was er nog een logische band met de kiezers. Die band is doorgesneden, waardoor een van de meest fundamentele vragen van deze tijd is: wat doen we eraan dat de volksvertegenwoordiging los staat van het volk? In ons kiesstelsel komen de mensen binnen achter de rug van de lijsttrekker. Ze vertegenwoordigen geen mensen, maar een programma. Zelf doe ik veel aan de huursubsidie, daar zit ik als een terriër bovenop. In die zin doe ik aan directe belangenbehartiging. Maar ik denk dat het onvermijdelijk is dat we naar een districtenstelsel gaan."

SASKIA NOORMAN-DEN UYL (1994):

"Ik heb mezelf altijd een echte volksvertegenwoordiger gevonden en dat vind ik nog steeds. Ik ben zo'n Kamerlid dat de hele periode veel in het land is. Dat heeft natuurlijk te maken met mijn portefeuille, sociale zekerheid, maar het is ook een kwestie van persoonlijkheid: ik ben een mensenmens. Niet zo'n studeerkamerfiguur. Ik krijg daardoor ook altijd veel post. En ook relatief veel voorkeurstemmen. De kaasstolp aan diggelen heb ik natuurlijk goed gelezen. Ik zag de analyse als ondersteuning van wat ik toch al deed: mensen vertegenwoordigen. Maar ik ben best ontvankelijk voor kritiek en daarom heb ik ook gekeken of er dingen waren waar ik wat mee kon. Vormen kun je veranderen. Dus ik hou nu bijvoorbeeld een spreekuur in mijn regio."

KARIN ADELMUND (1994):

"In de politiek gaat het om een drieslag: ideeën, of er draagvlak voor die ideeën bestaat en of ze vallen te realiseren. Daar word je als partij op afgerekend en dat hebben we niet goed genoeg in de gaten gehouden. Wij organiseerden prachtige projecten om tot een beschrijving van onze ideeën te komen, bijvoorbeeld het project 'sociale zekerheid bij de tijd'. Dat draaide om de vraag hoe we binnen een solidair kader meer recht kunnen doen aan de moderne burger die verantwoordelijkheid wil dragen en initiatief wil nemen. We organiseerden daar grote bijeenkomsten over, waar iedereen het met elkaar eens was. Maar vervolgens gaat het dan om de realisatie en om het afleggen van verantwoording over wat wel of niet lukt. Dat lijkt mij de nieuwe politiek die wij moeten leren: niet slechts één keer naar de burger, maar voortdurend."

PETER VAN HEEMST (1991):

"Ik heb niet het gevoel dat ik nu op een heel andere manier dan eerst invulling moet geven aan wat ik doe. Een volksvertegenwoordiger moet op straat net zo goed kunnen debatteren als in de gemeenteraad of het parlement. Je moet voorbeelden uit de praktijk hebben waarmee je je politieke opvattingen illustreert. Begrijpen wat de problemen zijn. Niet meteen met een oplossing komen. Voor veel PvdA'ers is dat een geweldige ontdekking. Maar ik dacht het allang. Ik denk ook dat het feit dat ik dit werk al elf jaar doe een soort erkenning is voor de manier waarop ik het invul. Ik heb in dit nieuwe politieke klimaat zoiets van: hè, hè, we zijn er."

MARIËTTE HAMER (1998):

"We hebben allemaal geprobeerd een volksvertegenwoordiger te zijn die in zijn regio staat en de problemen daar kent en die tegelijk een inhoudelijke portefeuille beheert. Alleen hielden we ons er niet aan. En we dachten allemaal dat we het goed deden: je doet toch je best. Ikzelf was ook altijd bezig met partijvernieuwing. Je moet ook niet vergeten: je bent onderdeel van een proces, van een bepaalde manier van werken. En van een context. Onze context was dat we een regeringsfractie op d'r laatste benen waren.

"De afgelopen tijd zaten we in de oppositie, dan heb je meer ruimte. Zelf richt ik mijn tijd nu anders in. In mijn eerste vier jaar was ik hier ook vaak's avonds nog. Je had toen de mode van de projectgroepjes, dan zat je's avonds bijvoorbeeld te praten over de kenniseconomie. Nu probeer ik mijn avonden te gebruiken voor huiskamerbijeenkomsten: bij iemand thuis praten over wat mensen bezighoudt"

FRANS TIMMERMANS (1998):

"Toen Margreeth de Boer in De kaasstolp aan diggelen schreef dat wij de band met de mensen moesten herstellen, voelde ik me niet aangesproken. Want dat had ik nou juist de afgelopen jaren geleerd. Ik was vier jaar daarvoor via een selectiecommissie binnengekomen op mijn kennis van buitenlandse zaken, dat was mijn specialisatie. Maar ik ben ook Limburger. Ik woon in Heerlen. En daar zeiden de mensen tegen mij: 'Zo, dus jij bent nu onze volksvertegenwoordiger. Maar wij kennen jou helemaal niet. Wat doe jij dan voor ons?'

"Die perceptie van regionale vertegenwoordiging had ik zelf helemaal niet, dus dat was een leerschool voor mij. Maar als ik dan in de fractie met een regionaal onderwerp kwam, was het soms: 'Ho, ho, dat is jouw portefeuille niet.' Dat was dan ook wel zo, maar het zal de mensen in het land natuurlijk worst wezen hoe bij ons de portefeuilles zijn verdeeld. Dat hebben we nu dus veranderd. Nu is het: 'Bij Limburgse kwesties heeft Frans het voortouw.' Een paar maanden geleden zei iemand tegen mij: 'Ik vind jou een echte volksvertegenwoordiger.' Dat vond ik een groot compliment. Dat ben ik nu dus, dacht ik."

HARM EVERT WAALKENS (1998):

"Ik heb mij zelfverwijten gemaakt na de verkiezingsnederlaag. Ik had in die vier jaar veel in zalen vol boeren gestaan, waar ik een harde boodschap had, want het was de tijd van de gekke-koeienziekte. Achteraf denk ik: ik praatte te abstract en te veel in oplossingsrichtingen, terwijl die mensen nog maar net de problemen op het netvlies hadden staan. Ik heb mij voorgenomen dichter bij de problemen te gaan staan en vandaar de mensen in niet al te grote stappen mee te nemen in de richting van een oplossing."