Schaf ontwikkelingshulp af

Ontwikkeling en hulp zijn twee verschillende begrippen die volstrekt ten onrechte worden samengevoegd. Ook wordt ten onrechte gedacht dat ontwikkelingshulp duurzame economische ontwikkeling in gang kan zetten. Dat kan alleen de markt, betoogt Piet Emmer.

Over één ding hoeven Balkenende en Bos het tijdens de formatiebesprekingen niet eens te worden: de ontwikkelingshulp. In de programma's van het CDA en de PvdA staat dit onderwerp als in marmer gebeiteld. Beide partijen zijn er trots op dat ons land als één van de weinige landen ter wereld 0,8 procent van het bruto nationaal product uitgeeft aan christelijke naastenliefde en internationale solidariteit, want zij zien die uitgaven als een laatste blijk van het in oorsprong christelijke en socialistische karakter van hun groepering. Van de Derde Wereld moet je af blijven. Die houding verhindert al sinds jaren dat er een echt debat komt over het verband tussen hulp en ontwikkeling.

Dat is maar beter ook, want zo'n discussie zou ongetwijfeld uitkomen bij de vraag wat ruim vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking eigenlijk heeft bijgedragen aan de economische groei van Afrika, Azië en Latijns-Amerika en een eerlijk antwoord stemt niet vrolijk. Daarom houden we ons liever bezig met de vraag of we een staatssecretaris of een minister zullen inzetten voor het uitdelen van onze hulp en of we weinig aan veel landen moeten geven of veel aan weinig landen. Na talloze `herijkingen' hebben we besloten dat de meeste hulp naar de allerarmste landen moet gaan, maar alleen als ze behoorlijk worden bestuurd en ons geld doorgeven aan de allerarmsten.

Een uitzondering vormen de Nederlandse Antillen, die per hoofd van de bevolking verreweg de meeste hulp krijgen, hoewel die eilanden noch een goed bestuur noch diepe armoede kennen. Een voormalige Antilliaanse minister van Justitie, R. Martha, noemde in Het Parool van 26 juni 2001 de Nederlandse goedgevigheid zelfs contraproductief, omdat onze milde gaven alleen voor een parasitair ambtenarenapparaat hebben gezorgd, waardoor de sociaal-economische ontwikkeling van de eilanden niet werd bevorderd, maar juist afgeremd. Die uitspraak bewijst dat ontwikkelingshulp vooral bedoeld lijkt om onszelf een warm gevoel van binnen te bezorgen en om de schaamte over onze rijkdom te overwinnen, of de ontvanger er nu baat bij heeft of niet.

Een blik in het verleden had teleurstelling kunnen verkomen. Grootscheepse geldinjecties van buiten hebben alleen in een paar uitzonderingsgevallen duurzame economische groei teweeggebracht. Het eerste bewijs daarvoor ligt al vijf eeuwen terug, toen Portugal en Spanje uitzonderlijk veel geld uit hun Amerikaanse koloniën begonnen te ontvangen (de `zilvervloten'). Die stroom hield driehonderd jaar aan en aan het einde van die periode behoorden deze landen niet langer tot de rijkste van Europa, maar tot de economische achterhoede. Ook Suriname heeft bij de dekolonisatie in 1975 een groot bedrag aan ontwikkelingsgeld gekregen. Nu, nauwelijks vijfentwintig jaar later, vragen zowel Surinamers als Nederlanders zich verbijsterd af waar al die miljarden zijn gebleven, omdat onze ex-kolonie er thans in veel opzichten slechter voorstaat dan vóór de uitbetaling van de genereuze gouden handdruk.

De weigering van Indonesië om nog langer Nederlandse hulp te ontvangen duidt er trouwens op dat het economisch belang ervan niet door ieder ontvangend land hoog wordt aangeslagen. Terecht, want het stopzetten van de hulp had voornamelijk betekenis voor de Nederlandse ontwikkelingswerkers ter plaatse. Of hun kinderen het schooljaar in Indonesië nog wel konden afmaken, vroeg de Volkskrant zich destijds bang af. Voor de economische groei van onze voormalige gordel van smaragd bleek het dichtdraaien van de Nederlandse geldkraan – een halve euro per persoon per jaar – nauwelijks gevolgen te hebben.

Er zijn overigens wel een paar uitzonderingen. In zeer bijzondere omstandigheden helpt vreemd geld wel, zoals de Engelse investeringen in de opkomende Belgische industrie na 1830, de Franse herstelbetalingen aan Duitsland na 1870 en de Amerikaanse hulp bij de herindustrialisatie van het verwoeste West-Europa na 1945. In dat laatste geval ging het om het Marshallplan en het succes daarvan werd in de jaren daarna als argument gebruikt om met de ontwikkelingssamenwerking te beginnen. Ten onrechte, zoals vijftig jaar later blijkt. Het Marshallplan kon alleen toen en alleen in bepaalde delen van West-Europa de economische groei bevorderen en zou als historisch begrip wettig gedeponeerd moeten worden om oneigenlijk gebruik te voorkomen. Meer recent hebben overdrachtsbetalingen een bijdrage geleverd aan de groei van Japan, Taiwan, Zuid-Korea en delen van Zuid-China, maar ook daar was telkens sprake van bijzondere omstandigheden, die in de meeste arme landen ontbreken.

In de overgrote meerderheid van de gevallen blijkt het woord ontwikkelingshulp een politiek-correcte term te zijn, die meer verhult dan verduidelijkt. Ontwikkeling en hulp zijn twee verschillende dingen en we moeten dringend afscheid nemen van de samenvoeging van deze begrippen. Het is een illusie te menen dat alle landen in de wereld in staat zijn om een gelijke economische groei te behalen. Wat Engeland in 1750 kon, kan Mali in 2050 nog lang niet. Internationale humanitaire noodhulp moet blijven bestaan, maar de afgelopen vijftig jaar heeft overtuigend aangetoond dat ontwikkelingshulp geen duurzame economische ontwikkeling in gang kan zetten. Dat kan alleen de markt.

Hoe ging dat ook weer? Hoe zijn de rijke landen van nu ooit economisch gegroeid zonder hulp? Hun grote sprong voorwaarts vond plaats in de negentiende eeuw en het vrij circuleren van goederen en migranten speelde daarbij een essentiële rol. De elementen, die Europa toen groot hebben gemaakt, moeten we ook toegankelijk maken voor de rest van de wereld. Dan blijkt dat op paradoxale wijze dat de ontwikkeling van de Derde Wereld het meest wordt bevorderd als we het daarvoor bestemde geld gebruiken om in eigen land de nadelige gevolgen van de liberalisering van het goederen- en personenverkeer op te vangen.

De ontwikkelingslanden betalen op dit ogenblik aanzienlijk meer importheffingen aan de EU-landen dan ze als ontwikkelingshulp van diezelfde landen krijgen. Bekend en berucht zijn de Europese land- en tuinbouw, wier producten elders goedkoper en met minder milieuschade kunnen worden geproduceerd. Waarom moeten we de teelt van tomaten in het Westland met aardgas en importheffingen beschermen, terwijl deze smakelijke vruchten door Marokko goedkoper en milieuvriendelijker op de markt gebracht kunnen worden? En dat geldt ook voor de textiel-, kolen- en staalindustrie. Natuurlijk zullen open grenzen ons dwingen om alternatief emplooi te vinden voor het kapitaal en de mensen, die nu in deze sectoren werken. Het betalen van die kosten is echte ontwikkelingshulp, omdat die uitgaven tijdelijk zijn en de structurele economische groei bevorderen.

Tot slot de migratie. Europa heeft in de negentiende eeuw kunnen groeien dankzij het vertrek van bijna 60 miljoen migranten. Voor de Derde Wereld is zo'n permanente exodus nu niet meer nodig, want de laatste berichten duiden erop dat geboortecijfers daar dalen. Tijdelijke migratie blijft echter een economische noodzaak zowel voor de derdewereldlanden als voor de landen van de EU en Noord-Amerika. De arme landen hebben voordeel van die migratie, omdat de ongekend hoge verdiensten van hun migranten in het buitenland voor investeringskapitaal zorgen. Zowel hoog- als laagopgeleide arbeidsmigranten kunnen in de EU en Noord-Amerika veel meer verdienen dan thuis.

Momenteel veroorzaakt de onzekere conjunctuur wel een groei van het aantal werklozen in het rijke westen, maar dat wil nog lang niet zeggen dat die werklozen alle vacatures ook zullen vervullen en dat we geen arbeidsmigranten meer nodig hebben. Door Europa wat toegankelijker te maken voor arbeid van buiten helpen we de Derde Wereld zichzelf te helpen. Ook dat is echte ontwikkelingshulp.

P.C. Emmer is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie en de daarmee verbonden migraties aan de Universiteit Leiden en tijdelijk verbonden aan het NIAS te Wassenaar.