Publieke intellectuelen

De prijs voor de onnozelste opmerking over wetenschap in 2002 gaat wat mij betreft naar Jacques Schraven, voorzitter van de VNO-NCW. In een interview in Het Financieele Dagblad zei Schraven op 16 december 2002: ``Michelangelo was natuurlijk een groot en fantastisch schilder. Maar dat was hij alleen omdat de paus hem vertelde wat hij moest schilderen.'' Deze curieuze uitspraak was de pointe van een lange tirade tegen de Nederlandse universiteiten, die onvoldoende bereid zijn om kennis met de industrie te delen. ``De kennisinstituten moeten het als hun missie zien hun kennis aan de markt te leveren. Als dat nodig is, moet de overheid instellingen die liever op een eiland zitten maar dwingen.''

Schraven heeft een goede remedie voor die koppige kennisinstellingen: net als de paus zal Schraven ons wel vertellen wat wij voortaan moeten doen. Ik citeer nogmaals: ``De meeste universiteiten zien ons'' (de industrie bedoelt Schraven hier) ``nog steeds als bron van financiering, in plaats van afnemer van kennis. Want als zij zouden erkennen dat zij óók voor het bedrijfsleven werken zouden zij eindelijk eens een omslag naar de markt maken.''

Wellicht word ik binnenkort omgeslagen naar de markt en ga ik voor Paus Schraven werken. Die gaat niet alleen bepalen welke proeven ik moet doen, maar hij zal mij ook vast willen helpen bij het schrijven van deze columns.

Voor het zover is, schrijf ik nog haastig waarom ik die opmerking over Michelangelo onnozel vind, voor zover dat nodig is voor de erudiete NRC-lezer. Michelangelo is niet een groot schilder dankzij opdrachtgever paus, evenmin als Rembrandt alleen groot is geworden door de opdrachten van de Amsterdamse schutterij of Frans Hals door de opdrachten van kroegbazen.

Die mannen konden gewoon goed schilderen, ongeacht de opdrachtgever. Onnozel dus, die Schraven uitspraak.

De vergelijking tussen schilders en onderzoekers gaat ook vreselijk mank. Michelangelo kon het waarschijnlijk niet schelen of hij het Laatste Oordeel schilderde of de maîtresse van de paus. Zijn eigen bijdrage zat niet in het onderwerp, maar in de compositie van zijn schilderijen en in de wijze waarop de figuren werden afgebeeld.

Hoe anders gaat dat bij grensverleggend onderzoek. Daar is de keuze van het onderwerp doorslaggevend. Het moet gaan om een belangrijk probleem dat in principe oplosbaar is. In de keuze van het probleem onderscheidt de goede onderzoeker zich van de middelmatige. Het is absurd om te denken dat Paus Johannes of Paus Jacques zo'n probleem kunnen selecteren. Daar hebben zij noch de kennis, noch de capaciteiten voor.

Het is wel begrijpelijk dat sommige Nederlandse industriëlen graag zouden zien dat de universiteit zich meer richt op contract-research. De Nederlandse industrie heeft in de afgelopen 20 jaar op grote schaal eigen fundamenteel onderzoek afgebouwd. Te duur, en het leverde te weinig op. Zonder fundamenteel onderzoek echter geen vernieuwing. Dan maar goedkope promovendi in de universiteit dwingen om het onderzoek uit te voeren dat vroeger door dure onderzoekers in de industrie werd uitgevoerd. Leuk bedacht, maar niet in het belang van de universiteit of de samenleving en zelfs niet in het belang van de industrie zelf, die met universitaire contract-research immers de bron van alle echte innovatie – het fundamentele, ongestuurde onderzoek – de nek om zou draaien. Industriële opdracht-research is nooit origineel. Originaliteit is niet de kracht van industriëlen. Zelfs de onnozele uitspraak over Michelangelo had Schraven niet zelf bedacht. Zoals hij zelf toegeeft, was die van Lester Thurow van het Massachusetts Institute of Technology.

Historisch gezien klopt er ook weinig van het betoog van Schraven, als ik terugkijk naar mijn eigen vakgebied. De toepassing van fundamentele moleculaire biologische kennis in de biotechnologie is in eerste ronde niet voortgekomen uit acties van alerte, bestaande farmaceutische bedrijven, die universitaire onderzoekers vertelden wat ze moesten doen. Integendeel, de biotechnologie heeft zijn oorsprong in de start-up bedrijfjes die werden opgezet door Amerikaanse professoren, die zelf binnen de universiteit de ontdekkingen hadden gedaan waar die bedrijfjes op waren gebaseerd. In Nederland was het dertig jaar geleden lastig om een start-up company te beginnen. De grote industriële bedrijven hadden daar best iets aan kunnen doen, omdat zij ook toen politieke invloed hadden, maar zij vonden het ontbreken van concurrentie kennelijk wel rustig.

Voor een gelijkwaardige samenwerking met kennisinstellingen waren de bedrijven twintig jaar geleden ook niet te porren. In de tachtiger jaren heb ik nogal eens met fundamenteel onderzoek geleurd bij Nederlandse bedrijven. Zij konden een venster op ons onderzoek krijgen en daardoor aansluiting bij grensverleggend wetenschappelijk werk. Daar pasten ze echter voor. Contractresearch, daarin waren zij geïnteresseerd, niet in samenwerking op meer gelijke voet.

Bedrijven waren zelfs niet geïnteresseerd in het advies van Nederlandse fundamentele onderzoekers. Ik herinner mij uit die tijd hoe een Nederlands bedrijf een kleine Amerikaanse collega overnam, werkend in een uithoek van het kankeronderzoek, die moeilijk te overzien was. Niemand belde om eens te horen wat wij van dat bedrijfje vonden en ik had toen vrij snel uit kunnen leggen dat het niets voorstelde. Nederlandse industriëlen waren in die tijd echter eigenwijs en argwanend, zij dachten het zelf beter te weten en zij waren bang dat hun geniale ideeën zouden weglekken, als zij die met anderen zouden bespreken. Om hoeveel geld het bij die overname ging, weet ik niet meer. Tenminste 20 miljoen dollar, schat ik. Weggegooid geld, zoals inmiddels is gebleken. Als Nederlandse kennisinstellingen onvoldoende samen willen werken met de Nederlandse industrie, dan ligt dat niet alleen aan die kennisinstellingen.

Er is nog een andere reden, waarom de oproep van Schraven misplaatst is, althans voor mijn vakgebied. In de afgelopen jaren zijn eindelijk de faciliteiten voor startende ondernemers in Nederland wat verbeterd en daarvan wordt nu op ruime schaal gebruik gemaakt. Zelfs in deze barre financiële tijden, schieten de start-up companies links en rechts uit de grond. Een flink deel van mijn voormalige promovendi en postdocs, door mij opgevoed in calvinistische kuisheid op financieel gebied, is inmiddels zelf bij zo'n start-up betrokken. Zelfs het Nederlands Kanker Instituut/Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis heeft recent een start-up opgericht om nieuwe methoden van DNA-diagnostiek sneller voor patiënten beschikbaar te maken. Waar heeft Schraven het dan over?

Zo langzamerhand is dit een politiek-getinte column geworden en ik begeef mij daarmee op een terrein, waarover de rector-magnificus van de universiteit van Amsterdam, Paul van der Heijden, in zijn Diesrede op 8 januari kritisch heeft gesproken (Publieke intellectuelen, Vossiuspers, UvA, 2003). Van der Heijden ziet zijn proffen links en rechts columns schrijven en die columns voldoen niet aan de wetenschappelijke norm, omdat ze een uitgebreid notenapparaat ontberen. Storender nog vindt Van der Heijden dat die professoren zich als columnist ver buiten hun vakgebied begeven. Ronald Plasterk wordt nadrukkelijk aangekondigd voor zijn tv-column als professor Plasterk, maar hij spreekt maar zelden over zijn vakgebied, de genetica.

Ik voel mij niet aangesproken door deze kritiek. Ik schrijf alleen over medische biologie of wetenschapsbeleid, onderwerpen waar ik iets van weet. Bovendien heb ik geen haast, zodat ik mijn columns door experts kan laten checken. Dat neemt niet weg dat ik de kritiek van Van der Heijden op zijn promiscue publieke intellectuelen toch wat eenzijdig vind. OK, Plasterk zou zich misschien niet als professor Plasterk aan moeten laten kondigen, als hij over Irak oreert, maar moesten wij niet juist aan laten zien dat professoren geen vakidioten zijn, maar breed georiënteerde, erudiete generalisten? Moesten wij niet uit onze ivoren toren afdalen en aan alle Nederlanders vertellen wat universitair onderzoek inhoudt? Moesten wij niet bijdragen aan het draagvlak voor de universiteit door te laten zien dat onderzoek leuk is en iets oplevert? Dat onderzoekers normale, vrolijke, slimme mensen zijn, waar iedere wakkere tiener graag bij wil horen? Juist mensen als Ronald Plasterk hebben sterk bijgedragen aan de imagoverbetering van de universiteit, meer nog, denk ik, dan al die dure advertenties. You cannot have your cake, Paul, and eat it.