Pinguïns bevlekken geschiedenis Antarctica

Gewoonlijk wordt de natuur, zeker op Antarctica, bedreigd door ingrepen van de mens. Maar deze keer dreigt op de Zuidpool een historisch monument het slachtoffer te worden van dieren. Het kamp van de eerste grote Zuidpool-expeditie, in 1899 onder leiding van de Noor Carsten Borchgrevink, ligt bedolven onder een meterdikke laag uitwerpselen, die daar is achtergelaten door een ongeveer 100.000 dieren tellende pinguïnkolonie.

Nigel Watson, van de Nieuw-Zeelandse organisatie voor het behoud van cultureel erfgoed op Antarctica noemt de gebouwen ,,een stinkende troep''. Watson bevindt zich op Cape Adare, het gebied in Antarctica dat het dichtst bij Australië ligt, om de gebouwtjes te bekijken.

,,Binnen is de originele kachel zwaar beschadigd, net als de stapelbedden'', zei Watson deze week, sprekend via een satelliettelefoon met het persbureau Reuters. ,,Overal liggen overblijfselen [van Borchgrevinks reis], variërend van blikken met erwten tot tabak, sokken, borstrokken en wetenschappelijke instrumenten.'' Volgens Watson behoren de hutten bij ,,het verhaal van het menselijk uithoudingsvermogen''.

Carsten Egeberg Borchgrevink (1864-1934) was in 1895 voor zover bekend de eerste mens die op Antarctica landde. Nadat hij in 1888 naar Australië was geëmigreerd, monsterde hij in 1893 aan bij walvisvaarder Henrik Bull, die ten zuiden van Australië zonder succes de mogelijkheden voor de commerciële walvisvangst onderzocht. Borchgrevink raakte gefascineerd door de Zuidpool en wist in 1898 voldoende geld bijeen te schrapen voor een expeditie, de allereerste, die vlak voor de jaarwisseling in 1898 vertrok.

Aan boord had Borchgrevink onder andere het materiaal voor de geprefabriceerde hutten – vooral hout, maar ook canvas, wol en rendierhuiden voor de isolatie. In een dag of tien was het kamp, naar Borchgrevinks moeder `Kamp Ridley' gedoopt, opgebouwd, compleet met onderkomens voor de 75 sledehonden. Nooit eerder had de mens een winter doorgebracht op Antarctica. Eén van de tien leden van de groep – gemiddeld niet ouder dan 27 jaar – overleed, de rest overleefde op 24 juli, hartje winter op Antarctica, een zware brand in de hut, en in augustus een vergiftiging door koolmonoxide, doordat 's nachts de kolen doorgloeiden. In februari 1900 keerden de expeditieleden terug naar Australië, hun onderkomen overlatend aan het geweld van de elementen.

Tegenwoordig wordt de hutten jaarlijks door zo'n 200 toeristen bezocht – andere historische gebouwtjes trekken zo'n 4.000 bezoekers. Watson schat dat restauratie 2,6 miljoen euro gaat kosten. Svein Tveitdal van de VN-organisatie die waakt over Antarctica geeft toeristen mede de schuld van de puinhoop. Volgens hem banjeren ze er rond zonder op te letten, en kapen ze allerlei souvenirs mee.