Parijs is niets meer

De Franse intellectuelen hebben even geen mening over de oorlog in Irak. Liever hebben ze het over de macht van de homoseksuelen of het revolutionaire erfgoed. Het debat is niet urgent: incest bepaalt toon en inhoud.

`Heb je het al gelezen?'' Marie-Christine aan de lijn. Huisvrouw, zoals ze altijd spottend zegt over zichzelf. Met pensioen, en fervent volgster van het nieuws, al heeft ze een hekel aan ,,de journalisten''. Net als aan de Amerikanen en, niet te vergeten, de Engelsen, ,,die er in Irak op los willen timmeren, terwijl ze een moskee vol terroristen in hun eigen hoofdstad ongemoeid laten''. Ook is Marie-Christine aanhangster van complottheorieën. Bijvoorbeeld: ,,natuurlijk'' is die liberale rabbijn laatst niet aangevallen door een moslim, maar door een orthodoxe jood. En de aanvaller van de linkse burgemeester van Parijs is natuurlijk ingehuurd door rechts. Nogal logisch. Marie-Christine is erg Frans.

Of ik wát al gelezen heb? Minc. Alain Minc. ,,Hij heeft groot gelijk. Al die pressiegroepjes die maar uitzonderingsposities voor zichzelf opeisen. De Corsicanen, de Bretonnen, de feministen, de homoseksuelen. Het lijkt hier Amerika wel. Ik heb het altijd al bespottelijk gevonden dat er speciale bars voor homo's bestaan. Al dat gelobby voor het eigen groepje, zonder enig gemeenschapsgevoel. Minc zegt het heel goed, ik hoorde het op de radio: er bestaat geen recht op onderscheid, er bestaat een recht op onverschilligheid. Helemaal mee eens.''

Marie-Christine is erg Frans. Net als Minc, romancier, essayist en voorzitter van de raad van toezicht van dagblad Le Monde. Deze ooit wegens plagiaat veroordeelde sleutelfiguur van de Franse intelligentsia heeft in december het boek Epîtres à nos nouveaux maîtres geschreven. Brieven aan onze nieuwe leiders. Minc keert zich in zijn bundel opstellen tegen de communautaristes, een dankbare stellingname, want het is een woord waar Fransen een vies gezicht bij trekken. Het is de gruwelterm voor iedereen die zich inzet voor de eigen groep. Bretonse en Corsicaanse separatisten noemt Minc niet in zijn boek, hij richt zijn brieven aan de voorvechters van geestelijker kwesties. Aan ,,de feministen'', ,,de gays'', ,,de zeloten van de NGO's'', ,,de renteniers van het anti-amerikanisme'', ,,de vromen van de zuiverheid''. Hij begint met het constaterende hoofdstuk ,,Aan onszelf, de slappe denkers'' en eindigt met het waarschuwende ,,Aan onszelf, de vermeende weldenkenden''.

De boodschap van klokkenluider Minc is duidelijk. Doordat al die minderheden aparte rechten opeisen en de meerderheid die privileges, uit angst zich schuldig te maken aan discriminatie, maar al te gretig toezegt, ,,hangt de geur van ontbinding boven ons land''. De Republiek, de democratie is volgens hem in gevaar. Het ,,recht op verschil'' bestaat niet, alleen het ,,recht op onverschilligheid'' bestaat, zo luidt inderdaad zijn aldoor herhaalde formule. Anders komen universele waarden als gelijkheid, vrijheid en broederschap in de verdrukking. Op straffe van ,,het risico onze vijanden te versterken'' moet er volgens Minc een antwoord komen: ,,neorepublikeins, Europees, met oog voor de rest van de wereld.'' Anders valt Frankrijk uiteen, dit ,,kwetsbare land''. Zei Richelieu niet al: ,,Omdat het zich nooit aan het goede houdt, valt het al te gemakkelijk terug in het kwade.''

Mincs boek is niet goed ontvangen, wel veelbesproken. In een discussieprogramma op televisie wezen de aanwezige mede-essayisten hem erop dat de groepen die eisen stellen, en die Minc op de korrel neemt, juist deel uitmaken van de samenleving en zich er niet buiten plaatsen. Zij zagen in het streven naar emancipatie een blijk van burgerzin, dat het republikeinse systeem eerder versterkt dan verzwakt. Ze verweten Minc een karikatuur geschreven te hebben. Zo verkondigt Minc enerzijds op basis van het gelijkheidsbeginsel voorstander te zijn van het adoptierecht voor humoseksuelen en ook het recht om te trouwen. Anderzijds verwijt hij de homoseksuelen, die hij aanduidt als de ,,machtigste'' van de ,,nieuwe leiders'', de eenheid van de republiek te schaden door op grond van hetzelfde gelijkheidsbeginsel rechten op te eisen.

Mincs boek is de zoveelste bijdrage aan een nationale worsteling met het revolutionaire erfgoed. De waarden van de Republiek, waarvoor Minc in de bres springt, zijn voorbeeldig humanistisch en vormen een zinvol richtsnoer voor het politieke en sociale leven. Maar ze zijn ook een pressiemiddel. Door te verwijzen naar de universele, revolutionaire waarden, weet de Parijse elite de eigen centrale machtspositie al twee eeuwen lang te handhaven tegenover een heterogene, onwillige en lange tijd uitgesproken antirepublikeinse provincie.

Heersen hoeft niet per se gepaard te gaan met verdelen, zo bewijst het Franse model. Wat geen samenhang vertoonde de regio's met hun eigen gebruiken, tradities, taal en geschiedenis kreeg dat door het in het republikeinse keurslijf te dwingen. Die politiek heeft de Franse psyche getekend. De angst de `kwetsbare' nationale eenheid te verstoren zorgt er bijvoorbeeld voor dat de decentralisatie al decennialang niet meer dan een vroom voornemen is. Diezelfde angst verklaart ook waarom de republiek Frankrijk een land is gebleven met een onverbeterlijke hofcultuur. De revolutie kostte de koning de kop ten behoeve van de soevereiniteit van het volk, maar omdat dat `volk' als eenheid niet bestond, wordt het tot op de dag van vandaag bij elkaar gehouden door een koning-president.

Mincs kwestie is actueel al twee eeuwen en dat is een beetje het probleem. Het weekblad Marianne ging naar aanleiding van zijn boek op onderzoek uit naar `le pouvoir gay', de macht van de homoseksuelen. Er kwam niet veel meer uit dan dat er, overwegend artistieke, coterietjes bestaan waarin mannen elkaar bovendien wel eens in de vrouwelijke vorm aanspreken. Het resultaat deed de hoofdredacteur van het homoblad Têtu verzuchten dat hij blij was ,,dat Alain Minc de tijd heeft genomen na te denken over het homoseksuele vraagstuk''. Maar dit ,,dossier'' kwam hem toch niet voor ,,als het werkelijk meest urgente voor de toekomst van de Republiek''.

Dode despoten

Niet urgent: het is een karaktertrek dat het intellectuele debat van de legendarische Franse filosofen steeds meer gaat vertonen. Over de crisis in Irak zijn de standpunten uitgesproken slap in vergelijking met de stevige stellingname in eerdere crises, zoals de eerste Golfoorlog, Kosovo en Afghanistan. Alain Finkielkraut, de ongekroonde koning van de huidige generatie intellectuelen, vindt een oorlog tegen Irak ,,uit moreel oogpunt'' geheel gerechtvaardigd, maar ,,politiek gezien, stel ik daar vragen bij''. Begrijpelijk, maar kan het niet iets pittiger voor een denker? Finkielkrauts enerzijds-anderzijds is algemeen. Zelfs voor Bernard-Henri Lévy, de meest mediagenieke onder de filosofen, die ten tijde van de eerste Golfoorlog nog zei: ,,De enige goede despoten zijn dode despoten'', is goede raad duur.

Met het oog op de schending van de mensenrechten in Irak luidt het antwoord `ja', maar gezien het gebrek aan alternatieven voor Saddam Hussein en het ontbreken van (Amerikaans) beleid inzake het conflict in het Midden-Oosten luidt het ook: `toch maar niet.' Uiteraard houdt de wankelmoedigheid verband met het preventieve karakter van de oorlog die de Amerikanen willen. Dat is veel complexer dan een agressor het door hem bezette land uitknikkeren, zoals in de eerste Golfoorlog aan de orde was.

Ook speelt het officiële standpunt van Frankrijk, dat vooralsnog alle opties openlaat, een rol. Omdat er nog geen keuze is gemaakt, is het moeilijk voor of tegen te zijn. Duidelijk is wel dat het antipacifisme, dat twintig jaar lang de toon heeft aangegeven, op zijn retour is. Bij het uitbreken van de eerste oorlog tegen Saddam ontlokte het pacifisme van de Duitse Groenen de krijgszuchtige André Glucksmann nog een honend: ,,Die zijn liever rood dan dood.'' Hij doet er nu, overeenkomstig de tijdgeest, het zwijgen toe.

Dat wil niet zeggen dat denkend Frankrijk zijn mond houdt. Het voert zelfs oorlog onderling. Sinds Daniel Lindenberg, `ideëen'-historicus en medewerker van het tijdschrift Esprit, in november vorig jaar het boekje Le Rappel à l'Ordre: enquête sur les nouveaux réactionnaires publiceerde, is er op alle voorpagina's een verbeten polemiek losgebarsten. De inzet van deze polemiek vertoont grote overeenkomsten met die van het in Nederland door Pim Fortuyn aangezwengelde debat. Lindenberg verdeelt intellectueel Parijs want daar zetelen uiteraard zijn doelwitten – onder in een neoconservatief en een links kamp, waartoe hij zelf behoort. Hij verwijt zijn tegenstanders onder druk van het succes van de extreem rechtse leider Jean-Marie Le Pen bij de presidentsverkiezingen van vorig voorjaar de bakens te hebben verzet. Ze keren zich zijns inziens tegen de verworvenheden van de opstand van mei '68, tegen het antiracisme, tegen het multiculturalisme, tegen de bescherming van het individu, tegen de omzichtigheid waarmee de integratie van immigranten wordt benaderd.

Het komt erop neer dat Lindenberg de strijd aanbindt met intellectuelen als Minc, met wie hij bien étonnés de se retrouver ensemble – opvallend genoeg dezelfde angst deelt: die voor de teloorgang van de democratie.

Opvallend is ook het Frans-Franse karakter van de discussie. Incest en navelstaarderij bepalen toon en inhoud. Er verschijnen boekjes over wie wat over wie heeft gezegd. Zo hebben verschillende schrijvers uit de mond van Josiane Savigneau, chef van de literatuurredactie van Le Monde, opgetekend dat ze Pierre Jourde, die haar van vriendjespolitiek beschuldigd heeft, ,,met liefde voor zijn kloten (zou) trappen''. Ook was de schrijver Jourde volgens haar ,,een vieze nicht (–) met aids in het laatste stadium''. Jourde geeft volgende week een persconferentie. Alain Finkielkraut, hoewel ingedeeld bij de neoconservatieven die verondersteld worden geen blad voor de mond te nemen, heeft al hardop ,,de vergroving van het intellectuele leven'' betreurd.

Welk `antwoord' intellectueel Frankrijk ook formuleert op de chaos in de wereld en vooral op die in de eigen gelederen, het door Minc gewenste ,,oog voor de rest van de wereld'' ontbreekt nog een overeenkomst met het debat in Nederland. Zo is het, afgezien van een enkele verwijzing naar ,,de opkomst van het populisme'' in Europa, nooit bij iemand opgekomen om de situatie in Nederland te vergelijken met die in Frankrijk. Op het doordringen van Le Pen tot de tweede ronde van de presidentsverkiezingen is aanvankelijk gereageerd met paniek, die al snel plaatsmaakte voor retoriek: het was het fascisme tegen het humanisme van de republiek. De keuze was duidelijk en toen die eenmaal gemaakt was, was het gevaar geweken.

De ideologische vooringenomenheid in het traditioneel sterk gepolariseerde Frankrijk maakt soms moedeloos. Het is niet toevallig dat de Franse communistische partij de enige in Europa is die na de val van de Muur niet van naam is veranderd en überhaupt nog bestaat, al loopt zij nu dan toch op haar laatste benen. Uitgever Jean-François Kahn, uitgever van Marianne, gaat op 15 ferbruari samen met zijn lezers demonstreren tegen de oorlog in Irak. Een maandblad als Le Monde diplomatique is wegens linkse parti pris vrijwel onleesbaar. Een stuk over L'obsession anti-américaine, het boek van de conservatieve denker Jean-François Revel waarvan je graag de zin en onzin uiteengezet zou zien, gaat voor driekwart over de persoon van de schrijver. In negatieve zin, dat spreekt vanzelf. Van een stuk over de hervorming van het pensioenstelsel, noodzakelijk wegens zoiets feitelijks als demografische ontwikkelingen, weet je van tevoren de uitkomst: als de pensioengerechtigde leeftijd al niet verlaagd kan worden en het pensioen niet verhoogd, dan moet alles blijven zoals het is. En zakenmannen zijn louter schurken.

Je moet je in Frankrijk altijd realiseren wie wat zegt, want zijn mening is gekleurd. De spreker behoort altijd óf tot het linkse kamp óf het rechtse, ook als het om overlopers gaat. Over dit onvrije Franse denken schreef de Amerikaanse hoogleraar Europese Studies Tony Judt aan het begin van de jaren negentig het boek Past Imperfect. Hij brengt het stramiendenken in verband met wederom de Revolutie van 1789. Sindsdien is het idee van het individu verloren gegaan. Het individu werd in de eerste plaats burger, wiens wel en wee samenvalt met dat van de staat. De burger werd verantwoordelijk gesteld voor die staat, in plaats van omgekeerd. Vrije gedachtevorming past niet bij die zware verantwoordelijkheid.

Slaapmiddel

Ook Minc signaleert het onvrije denken, maar schrijft de oorzaak daarvan in de lijn van zijn betoog toe aan de pressiegroepen. Die hebben de intellectuelen en de journalisten bedwelmd met het ,,formidable slaapmiddel'' van de politieke correctheid. Zowaar ,,analyseert'' hij wel de situatie in Nederland: ,,het meest liberale en democratische land van Europa.'' Wat doet dat land? ,,Het werpt zich in de armen van een avonturier.'' Vervolgens stelt Minc dat het de belangengroepen zijn die populisme in de hand werken door zich tegen de elite te keren. ,,Fortuyn was een homoseksuele activist: op die manier kon de homoseksuele gemeenschap zich net zo [...] aangetrokken voelen tot dit nieuwe populisme als ze afkerig was van het populisme van de oude stempel.'' Resultaat: 20 procent van de stemmen voor zijn erfgenamen. Met uitroepteken erachter.

Intellectueel Frankrijk maakt zich druk om groepjes, waarvan de homo's het zegt veel over de invloed van de rest – de ,,machtigste'' zijn. Verder zit de intelligentsia elkaar in de haren; over Irak, splijtzwam van de wereld, hebben ze even geen mening. Doen de ,,Franse filosofen'', nouveaux of oud, hun reputatie eigenlijk nog wel eer aan? Vanaf de uitvinding van het begrip `intellectueel' gemunt naar aanleiding van de Dreyfus-affaire aan het eind van de negentiende eeuw is de noodklok over het verschijnsel al vele malen geluid. Niet in de laatste plaats omdat het vereenzelvigd wordt met `links'. Maar volgens de linguïst Jean-Claude Milner heeft de intellectueel hoe dan ook nooit anders bestaan dan als incident en als bijproduct van omstandigheden. In een essay met de aanstootgevende titel Existe-t-il une vie intellectuelle en France? (Bestaat er een intellectueel leven in Frankrijk?) zet hij uiteen dat het vrije denken iets tegennatuurlijks is, omdat samenlevingen in beginsel onderdrukkend zijn en onvrij.

Wat het huidige Frankrijk betreft adviseert hij: emigratie. ,,Wie het waagt om belangstelling te hebben voor de dingen van de geest, kan ik, gesterkt door een al lange ervaring, slechts één raad geven: ontvlucht het onderwijs en de cultuur zoals die zich aandienen in Frankrijk.'' Zijn enige hoop zou nog gevestigd zijn op de Arabische en moslimjeugd, omdat minderheden er baat bij hebben een eigen intelligentsia te ontwikkelen. Maar minderheden, zo stelt hij somber in een interview met het maandblad Lire en geheel in strijd met wat Minc beweert die stellen niks voor in Frankrijk.

Hoe kan dat nou? vraagt de interviewster. Een intellectueel leven in Frankrijk en in het bijzonder in Parijs heeft toch altijd een natuurlijk gegeven geleken? Net als de haute cuisine en de haute couture? Tja, zegt Milner, die als linguïst ook niet paraat heeft dat alle kopstukken van de grote modehuizen buitenlanders zijn en dat Frankrijk, in tegenstelling tot Groot-Brittannië, op het gebied van de moderne kunst geen enkel gewicht in de schaal legt. Tja. Wat hij wel weet: er is geen een Franse intellectueel die ertoe doet in de Verenigde Staten. Zeggen dat Parijs de plaats is waar het meest gedacht wordt in de hele wereld, dat is verleden tijd. Bij de International Herald Tribune, waarmee het slecht gaat, vraagt men zich af of men in Parijs moet blijven, terwijl de krant zich er in de jaren vijftig vestigde, omdat Parijs de hoofdstad was van de intellectuele wereld. ,,Vandaag is Parijs niets meer'', zegt Milner. En hij voegt er aan toe: ,,Dat zeg ik niet, hoor.''