Kinderloterij

In de vier grote steden staan ruim 160 illegale kinderen onder toezicht van Jeugdzorg. De hulpverleners staan voor een dilemma: het is hun taak kinderen te beschermen, maar ze moeten zich ook houden aan de Vreemdelingenwet. Gevolg: schrijnende ongelijkheid, omdat elke hulpverlener eigen afwegingen maakt. En: `Illegalen misbruiken ons ook'.

In de zomer van 2000, op een woensdagmiddag, zat in de wachtkamer van Bureau Jeugdzorg in Voorburg een Marokkaanse jongen. Hij had drie jaar in Casablanca op straat geleefd, hij was vervuild en ondervoed geraakt. In een zeecontainer was hij teruggekomen naar Nederland. Van zijn zevende tot zijn twintigste had hij in Den Haag gewoond. Toen was hij het land uitgezet, omdat hij illegaal was. Zijn vader, die hem jarenlang had mishandeld en verwaarloosd, was nu opeens aardig tegen hem. De man had zich zorgen gemaakt. Zijn zoon kende niemand in Marokko. Hij sprak nauwelijks Berbers en geen woord Arabisch.

Twee dagen na zijn terugkeer in Nederland ging de jongen langs bij zijn vroegere gezinsvoogd, Jan de Vries. Hij omhelsde hem in de wachtkamer. Hij was gekomen, zei hij, om te vertellen wat hij had meegemaakt. ,,Weet je nog dat je mij naar Frankrijk stuurde voor een overlevingstocht? Nou, dit was pas overleven.'' Hij was in Casablanca aangekomen zonder geld en zonder paspoort. Op het vliegveld was hij gearresteerd, omdat hij zich niet kon identificeren, en de politie had hem geslagen. Zijn moeder woonde in Marokko, maar hij wist niet waar. Hij had niets meer van haar gehoord vanaf de dag dat hij door zijn vader naar Nederland was gehaald, in 1984.

In dat jaar waren zijn ouders gescheiden. Zijn vader, die in Nederland werkte, had de zorg voor zijn zoon op zich genomen om te voorkomen dat hij de bruidschat moest terugbetalen aan zijn ex-vrouw. Maar hij was er niet zeker van dat de jongen echt zijn zoon was. Zijn vrouw was lang alleen geweest toen hij al in Nederland was, en het kind leek helemaal niet op hem. Hij sloot hem op in een kast of hij sloeg hem – extra hard op de dagen dat hij post kreeg over de echtscheiding.

Na een paar jaar werd het kind door de rechter onder toezicht geplaatst van Jeugdzorg in Den Haag, hij groeide op in kindertehuizen. Zijn vader had voor zijn zoon geen verblijfsvergunning aangevraagd. Jan de Vries probeerde dat wel, maar zijn verzoek werd door de vreemdelingenpolitie niet in behandeling genomen, omdat de jongen geen identiteitspapieren had. Zijn vader had ook nooit een Marokkaans paspoort voor hem geregeld. ,,Als ik geweten had hoe het zou aflopen met deze jongen'', zegt Jan de Vries nu, ,,was ik op de stoep blijven zitten tot ik die verblijfsvergunning had meegekregen.''

Zijn vroegere pupil zit nu in de gevangenis. Na zijn terugkeer in Nederland had hij anderhalf jaar in de bouw gewerkt. Hij was ontslagen, omdat zijn baas bang was dat er controle kwam in zijn bedrijf, hij wilde geen illegalen meer in dienst hebben. De jongen was drugs gaan gebruiken, hij werd veroordeeld voor inbraak. Als hij zijn straf heeft uitgezeten, zal hij opnieuw het land worden uitgezet. ,,Maar dat overleeft hij niet'', zegt Jan de Vries.

Vorige week heeft De Vries een brief geschreven aan minister Nawijn van Vreemdelingenzaken. Die heeft gezegd dat hij aan het eind van zijn ambtstermijn toegeeflijker zou zijn voor ,,schrijnende gevallen''. Er worden wel vaker uitzonderingen gemaakt in de uitvoering van de Vreemdelingenwet. Een week geleden maakte Justitie bekend dat twee Marokkaanse kinderen die dreigden te worden uitgezet, toch een verblijfsvergunning krijgen. De kinderen, een meisje van drie en een jongen van vijf, vallen onder bescherming van Jeugdzorg in Utrecht. De IND had eerder laten weten dat ze in een kindertehuis in Marokko konden worden ondergebracht. Nu vindt de IND dat de kinderen toch wel erg jong zijn, en is het opeens ook niet meer zeker dat ze in Marokko kunnen worden opgevangen. Maar zal een minister die vaak met afgrijzen spreekt over ,,gevangenissen vol criminele allochtonen'' een uitzondering maken voor een veroordeelde Marokkaan van bijna zesentwintig?

Jan de Vries van Bureau Jeugdzorg Haaglanden vindt dat dat moet. Hij vindt: als deze jongen niet zo'n vervelende vader had gehad, had hij nu een Nederlands paspoort gehad en was zijn leven anders gelopen. Het was niet voor niks dat hij onder toezicht was gesteld, en als de overheid besluit dat een kind beschermd moet worden, dan moet die overheid dat ook maar goed doen.

Het ministerie van Justitie heeft vorige week, toen bekend werd dat de twee kinderen uit Utrecht in Nederland mochten blijven, laten weten dat er wordt nagedacht over een oplossing voor het dilemma van veel jeugdhulpverleners – vooral in de Randstad. Het is hun taak kinderen te beschermen, maar ze moeten zich ook houden aan de Vreemdelingenwet. Ze hebben er weinig aan als Justitie een uitzondering maakt voor een paar zielige gevallen.

Poorten van de hel

De hulpverleners in Rotterdam schatten het aantal illegale kinderen dat nu onder hun bescherming valt op vijfentwintig. Utrecht heeft er acht. Den Haag denkt aan een getal van rond de dertig, en Bureau Jeugdzorg in Amsterdam, dat voor dit verhaal dossiers is gaan tellen, komt uit op honderd. Ze zeggen er meteen bij dat het er veel meer zullen zijn dan ze nu denken. Ze weten lang niet altijd hoe het zit met de verblijfsstatus van kinderen.

Jan de Vries maakte in Den Haag vier keer mee dat het slecht afliep met Marokkaanse jongens die door problemen met hun ouders illegaal waren gebleven. En een collega maakte hetzelfde mee met een Marokkaans meisje. Tot haar achttiende werd ze begeleid door Jeugdzorg, nu leeft ze in Rotterdam op straat. De Vries denkt nu niet meer dat het later misschien nog wel goed komt met illegale kinderen van wie hij gezinsvoogd is. Hij doet alles wat hij kan om hen aan een verblijfsvergunning te helpen. ,,Als je dat niet doet, gaat het mis. Je moet die papieren voor de poorten van de hel wegslepen.''

Begin vorig jaar kreeg hij een verblijfsvergunning voor twee Marokkaanse jongens van zestien en achttien jaar. Maar pas nadat Ella Kalsbeek, toen nog staatssecretaris van Justitie voor de PvdA, zich ermee had bemoeid. Een van de jongens was zwakbegaafd, de ander extreem verlegen. Toen De Vries hun gezinsvoogd werd, belde hij met een ambtenaar van het regiokantoor van de IND. ,,Ze zei: `Ik mag het niet zeggen, maar Nederland is vol, hoor'.'' Ze vond, zegt De Vries, dat hij zich niet zo druk moest maken. Als het verzoek werd afgewezen, had hij toch gedaan wat hij kon? En ze zei: ,,Die jongens kunnen dan in ieder geval terugkijken op een paar mooie jaren in Nederland.'' Het regiokantoor besliste negatief over de aanvraag. De Vries belde de ambtenaar opnieuw en zei dat hij een brief ging schrijven aan het ministerie. ,,Ze zuchtte diep. `Je moet het zelf weten', zei ze, `maar ík heb er dan wel een week extra werk aan'.''

Bureau Jeugdzorg van de stadsregio Rotterdam belt vaak met ambtenaren van het regiokantoor van de IND. ,,We hebben een direct lijntje met twee dames'', zegt Saskia Schuys van de juridische afdeling. ,,Dat werkt goed. Ze lopen meestal zes tot acht weken achter, ze krijgen heel wat papieren binnen, en als ze dan van ons een concreet verhaal horen, maakt dat veel uit.'' De hulpverleners in Rotterdam kregen tot nu toe iedere keer een verblijfsvergunning voor hun kinderen, als ze vonden dat dat nodig was. Maar dat kwam niet alleen door hun lijntje met de ambtenaren. Het komt ook omdat ze in Rotterdam vooral moeite doen voor kinderen wier ouders uit de ouderlijke macht zijn ontheven. Jeugdzorg heeft dan de voogdij. Als de rechter een kind onder toezicht van Jeugdzorg heeft gesteld, ligt de ouderlijke macht nog wel bij de ouders. Dat was het geval bij de Marokkaanse jongen van wie Jan de Vries in Den Haag gezinsvoogd was. De IND vindt dan meestal dat de ouders zélf maar een aanvraag moeten doen. En als de ouders zelf ook illegaal zijn, zoals bij de twee Marokkaanse kinderen uit Utrecht, geldt voor de kinderen hetzelfde als voor hun ouders: ze moeten in hun eigen land een verblijfsvergunning aanvragen. ,,Bij een ondertoezichtstelling weet je zeker dat er gedonder komt'', zegt Saskia Schuys. ,,Daar waarschuw ik gezinsvoogden voor als ze met zo'n zaak bij mij komen.''

Eind vorig jaar plaatste Jeugdzorg in Rotterdam twee kinderen, van drie en bijna één jaar, in een crisispleeggezin. De ouders zijn illegaal en dakloos, ze komen uit Wit-Rusland. Ze zijn allebei psychiatrisch patiënt. De kinderen waren niet slecht verzorgd, vond Jeugdzorg, maar omdat hun ouders zwierven, konden ze niet bij hen blijven. De hulpverleners zijn niet van plan voor deze kinderen een verblijfsvergunning aan te vragen. Saskia Schuys: ,,Die ouders zijn onmachtig, maar ze houden van hun kinderen. In Wit-Rusland is er een oma die voor de kinderen zou kunnen zorgen. De oudste van drie spreekt geen Nederlands. Ik denk dan: moet ik wel zo hard voor deze kinderen gaan lopen?'' Ze vindt van niet. De directeur van Jeugdzorg in Rotterdam, José Vermeer, is het daarmee eens. Zij zegt: ,,Je moet kinderen niet koste wat kost hier willen houden. Het kan in hun belang zijn dat ze bij hun ouders blijven.''

Maar niet altijd. Rotterdam doet nu veel moeite voor een meisje van elf uit Kameroen. De moeder moet terug, maar het kind, dat al zeven jaar in een pleeggezin woont, wil in Nederland blijven. Ze staat onder toezicht van Jeugdzorg, de moeder heeft het gezag. Jeugdzorg heeft nu een ontheffing uit de ouderlijke macht aangevraagd, waardoor het kind meer kans maakt op een verblijfsvergunning. Saskia Schuys: ,,Die moeder liet veel steken vallen, daarom vragen wij die ontheffing. We doen het nu alleen wat sneller dan we anders hadden gedaan.''

Willekeur

Zo maakt ieder Bureau Jeugdzorg zijn eigen afwegingen. Niet iedere hulpverlener vindt het genoeg om te weten dat er in een land een oma is die voor een kind kan zorgen. Want hoe oud is die oma? Is ze gezond? En wat gebeurt er als de ouders het kind weer zelf willen hebben, ook al ziet iedereen dat ze dat niet aankunnen? Jeugdzorg in Den Haag heeft ook een kind onder toezicht van wie de ouders dakloos zijn. Ze komen uit Kroatië en Servië, ze zijn drugsverslaafd, ze verkopen de daklozenkrant. Jeugdzorg vroeg – en kreeg – een verblijfsvergunning voor het meisje. Haar ouders dreigen nu het land te worden uitgezet, maar hun kind, dat ze vaak opzoeken in het pleeggezin waar het al drie jaar woont, kunnen ze niet meenemen. ,,Je maakt een inschatting, voordat je zo'n vergunning aanvraagt'', zegt Henk Salet, locatiemanager van Jeugdzorg in Den Haag. ,,Wat kunnen de ouders aan? Naar wat voor land gaan ze terug?''

Gezinsvoogd Jan de Vries vindt dat kinderen het recht moeten hebben om in Nederland te zijn zo lang ze onder bescherming vallen van Jeugdzorg. ,,Wij kunnen ons werk niet doen als kinderen opeens kunnen worden teruggestuurd, omdat ze zwart hebben gereden in de tram. Dat is bedreigend voor ze.'' Ook Harry van den Bosch, hoofd van de afdeling jeugdbescherming in Utrecht, is pas tevreden als wordt besloten dat kinderen die in een pleeggezin of een instelling wonen, legaal in Nederland kunnen zijn totdat het verantwoord is dat ze teruggaan naar hun ouders. Ook als een kind alleen onder toezicht staat en ouders het gezag nog hebben. ,,Er is altijd een rechter die beslist over uithuisplaatsing. Het bureaucratisch systeem rond jeugdbescherming is voldoende waarborg dat er geen overhaaste of opportunistische beslissingen worden genomen.''

Jeugdzorg in Amsterdam wil graag dat Justitie met richtlijnen komt. ,,Wat we nu doen is schipperen'', zegt Jolanda Buwalda, directeur Jeugdbescherming. Ook de hulpverleners in Amsterdam is het tot nu toe gelukt om voor ieder illegaal kind dat onder hun voogdij stond – de ouders waren uit de ouderlijke macht gezet – een verblijfsvergunning te krijgen. En net zoals in Rotterdam zeggen ze dat ze ,,niet zo hard lopen'' als nog onduidelijk is of een kind terug kan naar zijn eigen ouders. ,,Ik vind niet'', zegt Jolanda Buwalda met nadruk, ,,dat een ondertoezichtstelling vanzelfsprekend moet leiden tot een verblijfsvergunning.'' En ze zegt: ,,Wij zijn beducht voor een aanzuigende werking.''

Afgelopen zomer werd een Somalische jongen van twaalf door Jeugdzorg in Amsterdam uit huis geplaatst. Zijn moeder was illegaal. Ze was in de war, ze kon niet meer voor haar kind zorgen. Haar advocaat belde met Jolanda Buwalda. Ze had 250 illegale Somalische families die cliënt van haar waren. Was zo'n maatregel van uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling niet de manier om ze in Nederland te laten blijven? Want zou, bedoelde ze, de IND illegalen het land uitzetten, als een rechter had gezegd dat hun kind dringend hulp nodig had? Jolanda Buwalda schrok van dat idee. ,,Ik dacht: dit moeten we niet hebben. Onze integriteit mag niet ter discussie staan.'' Ze organiseerde een bijeenkomst met gezinsvoogden, kinderrechters en ambtenaren van de Raad voor de Kinderbescherming. Die waren niet verrast door het voorstel van de advocaat, maar het aantal dat ze had genoemd vonden ze indrukwekkend. ,,De vraag is'', zegt Jolanda Buwalda, ,,hoe kun je zien of een situatie in scène is gezet? En dan nog. Ook een geënsceneerde crisis kan ernstige consequenties hebben voor een kind.'' Ze zal er, zegt ze, ook over gaan praten met ambtenaren van de IND.

Jeugdzorg misbruikt

Het is niet alleen het telefoongesprek met de advocaat dat haar verontrust. Het afgelopen half jaar komen er steeds vaker illegale vrouwen met kleine kinderen, vaak baby's, bij Jeugdzorg. ,,Zeker één keer in de twee weken klopt er iemand bij ons aan.'' Jolanda Buwalda denkt dat het te maken heeft met de strengere uitvoering van de nieuwe Vreemdelingenwet. Uitgeprocedeerde asielzoekers worden sneller uit opvangcentra gezet, en de opvanghuizen voor gezinnen in Amsterdam zitten vol. Maar het zou ook kunnen, zegt ze, dat illegalen proberen met hulp van Jeugdzorg aan een verblijfsvergunning te komen. Ze maken gebruik van het gevoel dat kinderen oproepen. ,,Ik denk dat dat altijd wel meespeelt. Het zigeunerjongetje met het traantje. Dat gebeurt bij de Sociale Dienst ook. Ieder mens zou dat doen in die omstandigheden.''

Jolanda Buwalda zegt dat een paar keer: ze begrijpt de wanhoop van illegalen. Ze begrijpt dat die alles proberen om een eind te maken aan hun onzekere bestaan. ,,De misère is groot, vooral in Amsterdam-Zuidoost. Daar zie je vaak grote gezinnen. De vader is weg, de moeder kan het niet aan. Een paar weken geleden hebben we zeven illegale Pakistaanse kinderen uit huis geplaatst, omdat hun moeder psychotisch was geworden.'' Het valt haar op, óók in het afgelopen halfjaar, dat illegalen steeds vaker gebrek aan eten hebben. ,,Er zijn gezinsvoogden van ons die zelf met voedselpakketjes lopen te sjouwen.'' Jolanda Buwalda weet niet of mensen zichzelf en hun ellende nu opeens laten zien, omdat ze denken dat dat hun iets oplevert, of dat ze het echt armer hebben gekregen. Maar ze weet wel wat de armoede betekent voor de kinderen en voor de hulpverlening. ,,Door het materiële tekort, in combinatie met de uitzichtloosheid, lopen de spanningen in een gezin soms zo hoog op dat we moeten overgaan tot uithuisplaatsing van kinderen. En daar zijn onze maatregelen natuurlijk niet voor bedoeld.'' Jeugdzorg in Amsterdam probeert nu, samen met Vluchtelingenwerk, voor die gezinnen geld te krijgen uit het noodfonds van de gemeente voor illegalen. Uit dat fonds wordt bijvoorbeeld de medische zorg voor illegalen betaald.

De andere bureaus voor jeugdzorg in de Randstad hebben geen aanwijzingen dat illegalen de ondertoezichtstelling van hun kinderen proberen te gebruiken om zelf een verblijfsvergunning te krijgen. Ze zien wel allemaal dat ze de afgelopen jaren steeds vaker illegale kinderen onder hun hoede krijgen. Dat kost tijd, en veel geld. Ze moeten soms advocaten inhuren, of ze moeten onderzoek laten doen in het buitenland, bijvoorbeeld om er zeker van te zijn dat ouders onvindbaar zijn en dat er niemand anders is naar wie een kind terug kan.

Saskia Schuys, jurist van Jeugdzorg in Rotterdam, werkt drie dagen in de week. Op één van die dagen is ze alleen maar bezig met zaken die te maken hebben met vreemdelingenrecht.

Vervolg op pagina 22

Kinderloterij

Vervolg van pagina 21

Ze moet die zaken uitzoeken, overleggen met advocaten, en ze moet gezinsvoogden leren hoe procedures werken en welke uitzonderingen er zijn op de wet. ,,De IND'', zegt ze, ,,wordt steeds strenger. Er komt een dag dat het fout gaat.''

Rotterdam heeft nu voor het eerst een illegaal meisje dat onder voogdij staat – de ouders hebben niets meer over haar te zeggen – en van wie de IND toch vindt dat ze het land uit moet. Het kind, van Bulgaarse ouders, is in Nederland geboren. Ze is zeven en woont sinds vier jaar in een pleeggezin. Haar ouders hebben haar verwaarloosd, in het ziekenhuis is aangetoond dat ze slachtoffer was van incest. De ambtenaren van het regiokantoor van de IND met wie Saskia Schuys vaak belt, vonden dat het meisje recht had op een verblijfsvergunning.

Maar op het hoofdkantoor dachten ze daar anders over. Het kind kon wel naar een kindertehuis in Bulgarije. ,,Maar ook nu gaat het ons wel weer lukken'', zegt José Vermeer, directeur van Jeugdzorg in Rotterdam. En als de IND bij de beslissing blijft? ,,Dan spannen we een kort geding aan. Kom nou, het is toch mensenwerk? De belangen van het kind gaan altijd voor.''

Oorbellen

In een spreekkamer van Jeugdzorg in Utrecht zit een Marokkaans meisje van zeventien. De verwarming staat hoog, het is zo warm dat haar voogd, Diana Ewouds, af en toe het raam openzet. Maar het meisje houdt haar zwarte, gewatteerde jas tot haar hals dichtgeritst. Ze heeft lang, zwart haar, ze draagt grote zilverkleurige oorbellen, een spijkerbroek met bloemen erop.

De hulpverleners in Utrecht zijn blij met de beslissing dat de twee Marokkaanse kinderen van drie en vijf in Nederland mogen blijven. Maar in hun brief aan de minister, eind december, hadden ze nadrukkelijk niet gevraagd om een uitzondering voor deze twee. Ze wilden weten wat ze ermee aan moesten dat kinderen die ze probeerden te helpen omdat dat hun wettelijke taak was, óók volgens de wet het land uit moesten. Er was veel aandacht voor de peuters. Er kwamen brieven, een vrouwenorganisatie wilde actie voeren, het tv-programma Twee Vandaag kwam langs. Maar Jeugdzorg zat niet te wachten op aandacht voor zieligheid. Want vinden mensen een meisje van bijna achttien net zo zielig? Zo'n meisje hebben ze ook. En ook zij dreigt het land te worden uitgezet.

In de zomer van 1995 kwam ze met haar drie broers bij haar vader wonen, in Utrecht. Ze was net tien, haar ouders waren gescheiden. Haar vader werkte in Nederland, ze kende hem alleen van vakanties. Ze zegt dat ze niet meer weet hoe haar moeder eruit zag, ze weet ook niet meer of ze het erg vond om bij haar weg te gaan. Ze heeft nooit meer iets van haar gehoord. Ze herinnert zich wel, zegt ze, dat het avond was toen ze in Nederland aankwam, en dat ze het na een week al leuk vond.

Wat er leuk was? ,,De vrijheid. Dat je zelf mag weten wat voor kleren je aandoet. En dat je naar school moet.'' Ze zag dat dat zo was bij andere kinderen. Voor haarzelf duurde het nog vier jaar voordat ze naar school ging, en het is nog niet zo lang dat ze zelf uitmaakt wat voor kleren ze draagt. De vier kinderen woonden maar kort bij hun vader. Zijn nieuwe vrouw wilde hen niet in huis hebben. Ze gingen naar hun grootouders. Hun vader had geen verblijfsvergunning voor hen aangevraagd, ze waren illegaal. De grootouders waren bang dat dat werd ontdekt, de kinderen mochten pas buiten spelen als de scholen uit waren. Tot die tijd keken ze televisie, of ze hielpen met schoonmaken. Als hun vader langskwam, zei hij dat ze terug moesten naar Marokko, anders zou hij hen vermoorden. Illegalen in Nederland, zei hij, werden crimineel. Hij wilde niet dat dat met zijn kinderen zou gebeuren.

Hun oma overleed, hun opa trouwde opnieuw. Ook die vrouw had geen zin in vier kinderen in haar huis. Op een zaterdagochtend in augustus 1999 zette ze hen op straat, hun spullen had ze in vuilniszakken gedaan. Een tante nam hen in huis. Vanaf die tijd bemoeide Jeugdzorg zich met de kinderen. Ze gingen naar school, hun vader werd uit de ouderlijke macht ontheven. In het begin vond het meisje het prettig bij haar tante. Die was door Jeugdzorg aangewezen als pleeggezin, ze kreeg geld voor de kinderen. Maar na een jaar kwam de tante bijna niet meer thuis. Later bleek dat ze was getrouwd. Tegen de kinderen zei ze: ,,Als je Jeugdzorg vertelt dat ik er niet ben, ga ik naar de politie en die zet jullie het land uit.''

Vorig voorjaar had ook de tante er genoeg van. De oudste twee waren volwassen, Jeugdzorg moest maar wat regelen voor de andere twee. Het meisje woont nu in een leefgroep van een project voor begeleid wonen, haar broertje wordt in een kindertehuis behandeld voor gedragsproblemen. Het meisje voelt zich vaak ziek. Ze dacht afgelopen zomer dat ze een bril moest, ze kon bijna niks meer zien. Maar de oogarts zei dat haar ogen goed waren. Ze moest ook vaak overgeven, ze dacht dat er bloed bij zat en dat ze dood zou gaan. ,,Ik heb problemen in mijn hoofd'', zegt ze, ,,door m'n verblijfsvergunning.'' In november vorig jaar besliste de IND dat ze niet in Nederland mag blijven. Ze is bang dat ze zal worden uitgezet. Of dat ze, als dat niet gebeurt, geen gewoon leven kan hebben. Ze wil kapster worden of politieagent. Of gezinsvoogd. Iedere avond zit ze tot laat aan haar huiswerk. Ze is de enige van de school die nog geen verzuim-uren heeft. ,,Maar misschien doe ik het allemaal voor niks.''

    • Petra de Koning