Jiddesje patriotten

Tijdens de Bataafse Republiek raakte de joodse gemeente in Amsterdam in felle onderlinge strijd: assimileren of niet?

Eind juli 1797 verscheen in Amsterdam een satirisch pamflet met de titel Diskoers gehalten tswisjen jehoedim foen Itert nach Amsterdam. Het was geschreven in het Jiddisj, destijds de spreektaal van de asjkenazische of Hoogduitse joden. Het was zeventien pagina's lang en beschreef – in de traditie van Nederlandse pamfletten uit die tijd – een gesprek tussen drie mannen in de trekschuit tussen Utrecht en Amsterdam. De gedreven Ansjel was een vertegenwoordiger van de naje kille, de nieuwe, progressieve joodse gemeente. De domme Goempel behoorde tot de alte kille, de oude, traditionele gemeente. En de verstandige Jankev behoorde noch tot de oude gemeente, noch tot de nieuwe. Het is duidelijk dat het pamflet bedoeld was om de nieuwe gemeente te propageren en de oude in een kwaad daglicht te stellen.

Een selectie van deze pamfletten, de `Diskoersen', van beide partijen is nu uitgegeven in het oorspronkelijke Jiddisj én in Engelse vertaling. De inleiding is van Jozeph Michman, oprichter van het Instituut voor Onderzoek naar het Nederlandse Jodendom in Jeruzalem, en Marion Aptroot, hoogleraar Jiddisj aan de Heinrich Heine Universität in Düsseldorf.

In 1795 was onder Franse supervisie de Bataafse Republiek opgericht. Nederland, en vooral Amsterdam, was toen al bijna tweehonderd jaar een toevluchtsoord voor joden. De omwenteling in 1795 wekte enthousiasme bij een kleine groep patriottische Amsterdamse joden. Maar bij de patriottische sociëteiten waren ze niet welkom. Toen richtten ze een eigen sociëteit op, Felix Libertate, waarvan ook niet-joden lid mochten worden. Mede door toedoen van deze groep besloot de Bataafse regering een jaar later tot de juridische gelijkstelling van joden.

Ook door hun eigen gemeente wilden de joodse patriotten de bezem halen. Ze pleitten voor democratische verkiezingen van de parnosim, de bestuurders, die vaak door overerving aan hun functie kwamen, en eisten dat ze verantwoording aflegden over het beleid dat ze voerden. Maar de parnosim maakten korte metten met de revolutionaire voorstellen, gesteund door overwegend behoudende gemeenteleden die niets moesten hebben van patriottische nieuwlichterij. Daarop traden 21 mensen uit de gemeente en stichtten op 26 maart 1797 Adas Jesjoeroen, in de wandeling de naje kille genoemd. Isaac Graanboom, eerder gewaardeerd opperrabbijn van de oude gemeente, werd benoemd tot rabbijn. De naje kille groei al snel uit tot een volwaardige gemeente met eigen synagoge, slachthuis, mikwe (ritueel bad) en begraafplaats.

Tegelijkertijd roerden de joden zich op politiek gebied. Op 1 augustus 1797 vonden de verkiezingen voor de tweede Nationale Vergadering plaats, en het was de eerste keer dat joden mochten meedoen. Twee leden van de naje kille, H. Bromet en dr. H. de H. Lemon, stonden kandidaat.

Tegen deze achtergrond publiceerden anonieme leden van de nieuwe gemeente het eerste Diskoers. Er zouden er nog 23 volgen, terwijl na het twaalfde deel de oude gemeente in de tegenaanval ging en eigen Diskoersen publiceerde met dezelfde hoofdpersonen. Elf delen lang boden de (eveneens anonieme) auteurs tegen die van de naje kille op in kritiek, laster, roddel en beschuldigingen.

``De Diskoersen waren bedoeld om joden te laten zien dat het er in de naje kille veel ordelijker en democratischer aan toeging dan in de alte kille'', zo vertellen Aptroot en Michman. Michman ontdekte de teksten een jaar of dertig geleden in de Bibliotheca Rosenthaliana, de joodse afdeling van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam, en gebruikte ze bij zijn onderzoek naar de emancipatie van het Nederlandse jodendom. Aptroot, een van de weinige deskundigen op het gebied van Nederlands Jiddisj, wilde al een aantal jaren iets met deze Diskoersen doen. Aptroot en Michman vonden elkaar en besloten tot een gezamenlijke uitgave. In het Engels. ``We wilden het materiaal ontsluiten voor een internationaal publiek. Je ziet onverwachte aspecten van het joodse leven in Amsterdam, waarover je nergens anders kunt lezen,'' aldus het duo.

Boete

De eerste aanval gaat over de vleeshal van de alte kille. De belasting op koosjer vlees was een belangrijke bron van inkomsten voor de oude gemeente. De schrijvers beklagen zich over de schandelijke prijzen in de oude vleeshal, terwijl het beste vlees bovendien naar de rijken gaat. Dat is in de nieuwe vleeshal wel anders. Daar is iedereen gelijk en het vlees is een stuk goedkoper. Maar de alte kille heeft haar leden verboden naar de nieuwe vleeshal te gaan. En leden die overgelopen zijn naar de naje kille, hangt zelfs een boete van duizend gulden boven het hoofd. Maar, zo betoogt het Diskoers, daardoor moet men zich niet laten afschrikken, want de alte kille heeft geen poot om op te staan. Verder worden lezers opgeroepen vóór de twee joodse kandidaten in de Nationale Vergadering te stemmen en tegen de grondwet, waarover een week later een referendum zal worden gehouden.

Uit het tweede Diskoers blijkt dat de joden inderdaad gekozen zijn en dat de grondwet is verworpen. Aptroot en Michman betwijfelen of de oproep daar iets toe heeft bijgedragen. ``De Diskoersen werden veel gelezen, maar hun invloed was beperkt. Men las ze vooral om de roddels. De meeste joden waren te arm om stemrecht te krijgen. En bij de naje kille konden ze ook niet terecht, want die nam geen arme mensen aan. Ze vonden zichzelf daarvoor voorlopig te klein.''

Toch hadden de parnosim wel degelijk last van de Diskoersen. Week in week uit werden ze – niet geheel ten onrechte – beschuldigd van incompetentie, corruptie en geldzucht. Na twaalf aanvallen sloeg de alte kille terug. Er kwam een `dertiende deel' uit in dezelfde stijl met dezelfde personages. Ditmaal moesten de leden van de naje kille het ontgelden. Ze werden beschuldigd van het eten van niet-koosjer vlees, ontheiliging van de sjabbat en het goedkeuren van gemengde huwelijken – waarbij schunnige toespelingen niet geschuwd werden. Aptroot en Michman: ``De alte kille kon zich moeilijk verdedigen nu de naje kille de politieke wind mee had. Er was één gebied waarop de nieuwe gemeente aangevallen kon worden: religie. In werkelijkheid waren de verschillen vooral politiek en maatschappelijk van aard. De leden van de naje kille waren in hun hart misschien wel deïsten, maar ze bleven trouw aan de orthodoxe traditie.''

En propageerden de leden van de naje kille werkelijk het gemengde huwelijk, `trouwen met Kaatje en Mietje'? ``De joden hadden op alle gebieden gelijke rechten, behalve als het om trouwen ging. De naje kille, bang toch niet als volwaardige burgers beschouwd te worden, wilde dat de gelijkberechtiging zich ook hiertoe uitstrekte. Er zijn geen bewijzen dat ze werkelijk met niet-joden trouwden.''

Opvallend is dat de joden van de naje kille, die midden in de Nederlandse maatschappij stonden, hun Diskoersen in het Jiddisj publiceerden. Abtroot en Michman: ``Felix Libertate had eerder in het Nederlands gepubliceerd, maar dat las vrijwel niemand. Met de Diskoersen wilden ze een breed publiek bereiken. Men was trouwens goed op de hoogte van de Nederlandse cultuur. De auteurs van de alte kille, die zelf nooit naar een concert of toneelvoorstelling zouden gaan, gebruiken als eerste de Franse komedie bij hun satire.''

Aptroot en Michman hebben de originele Jiddisje tekst opgenomen in de uitgave. ``De Diskoersen zijn misschien de enige bron waarin de achttiende-eeuwse Nederlands-Jiddisje spreektaal wordt weergegeven. Dat zie je niet in vertaling.''

Oproep

Op 22 januari 1798 greep de radicale factie in de Nationale Vergadering, onder wie de twee joodse leden, de macht. Zij lieten de parnosim afzetten en vervangen door met de patriotten sympathiserende leiders. De toon van de naje kille wordt scherper en dreigender. De alte kille roept de lezers op moedig te zijn. Het laatste woord is aan de naje kille. De laatste twee Diskoersen zingen de triomf van de patriotten, met een lied op de wijs van de Marseillaise.

De vreugde bleek van korte duur. Op 16 juni werd een gematigder regering geïnstalleerd, die de parnosim in hun functie liet herstellen. Er brak een chaotische tijd aan, waarin achtereenvolgens Lodewijk Napoleon, Napoleon zelf en ten slotte koning Willem I het voor het zeggen kregen. Willem I stichtte de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge, waarvan alle joden lid moesten worden. Bestuursleden werden benoemd door de koning.

Zo bleef er dus uiteindelijk niets over van de mooie plannen van de naje kille. Aptroot en Michman: ``De denkbeelden hebben wel doorgewerkt. Lodewijk Napoleon heeft de naje kille opgeheven, maar gebruikte hervormingsgezinde joden als adviseurs. En halverwege de negentiende eeuw raakten de joden inderdaad geassimileerd en deden ze alsnog wat de naje kille had gewild.''

Storm in the Community. Yiddish Polemical Pamphlets of Amsterdam Jewry 1797-1798. Selected, translated and introduced by Jozeph Michman and Marion Aptroot. Hebrew Union College Press, Cincinnati 2002. 527 p. ISBN: 08 7820220 ca €95,-