Het was nog nooit zo druk

Cabaret begon als spitsvondig amusement maar kent nu zo vele vormen dat zelfs radio-presenteren tot cabaret verheven wordt.

De ene jongen, die met de zware bril met hoornen montuur en jampotglazen, was 24. De ander, die met de schuin afgesneden hoektand, was nog twee jaar jonger. Ze heetten Freek de Jonge en Bram Vermeulen, wat in sommige recensies door elkaar werd gehaald: dan was Bram de jongen met het hoogste woord en Freek de man achter de piano. Maar veel maakte dat niet uit, want onder hun duonaam Neerlands Hoop in Bange Dagen waren ze weinig minder dan een sensatie. En ook buiten het podium schreeuwden ze het uit. ,,Cabaret in Nederland is een regelrechte ramp'', riep Freek. ,,Het is zo dood als een pier'', beaamde Bram. Geen wonder dat ze daar niet bij wilden horen. ,,Wat wij brengen'', zei Freek, ,,noemen we geen cabaret, maar een music and comedy-programma.''

Het waren striemende stellingen – hier geciteerd uit de Volkskrant van 28 juni 1969 – met een allesverwoestend effect. Die twee opgeschoten ogende kwajongens hadden immers volop recht van spreken. Hoewel achteraf is gebleken dat ze goed naar heel wat grote voorgangers hadden geluisterd, sloegen ze toch een volstrekt nieuwe toon aan. Hun muziek was de rock & roll van de jaren zestig, en hun houding weerspiegelde de Publikumsbeschimpfung die destijds bij het grensverleggende toneel in de mode was.

Zo had Nederland het nog nooit gezien. Cabaret was het spitsvondige amusement van Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans, en dat van hun navolgers Seth Gaaikema en Paul van Vliet, of de virtuoze meerstemmigheid van jongere groepen als Don Quishocking en Kabaret Ivo de Wijs. En altijd straalde het een verzorgd soort vakmanschap uit. Nooit was het ruig, lawaaiig en opzettelijk amateuristisch. Volgens de traditionele maatstaven kon Freek zich op het podium niet bewegen, terwijl Bram als pianist heel wat minder in zijn mars had dan Harry Bannink of Ru van Veen.

Maar in één klap hadden Bram & Freek het cabaret doodverklaard. De gevolgen waren onmiddellijk zichtbaar. Van de jonge garde wilde niemand meer iets met cabaret te maken hebben. Prompt was het genre te burgerlijk voor woorden. De geschiedenis van Cameretten, het oudste cabaretfestival van Nederland, spreekt boekdelen. In 1968, twee jaar na het begin, werd het festival gewonnen door Don Quishocking, terwijl Neerlands Hoop toen niet verder kwam dan een vijfde plaats. Vervolgens was de verwarring compleet. Van de Cameretten-winnaars van de jaren zeventig is bijna niemand cabaretier geworden. Op de lijst prijken onder meer de latere toneelregisseur Antoine Uitdehaag, de theatermakers Sam Bogaerts en Lucas Vandervorst, de tegenwoordige jeugdtheaterleiders Ad de Bont en Guus Ponsioen, de kinderboekenschrijfster Joke van Leeuwen en de dwarse Ko van den Bosch met zijn groep Electric Alex, die allang is veranderd in Alex d'Electrique.

Wie in die dagen amuserende neigingen vertoonde, spiegelde zich liever aan de vernieuwingen bij Hauser Orkater en het Werkteater dan aan de gevestigde namen uit het reguliere cabaret. En op de Kleinkunstakademie trachtten leerlingen als Kees Prins en Arjan Ederveen zich zo veel mogelijk te drukken als er dans- en stemoefeningen op het programma stonden.

Alles bij elkaar heeft de malaise een jaar of tien geduurd – jaren waarin een legertje ouder wordende cabaretiers het genre met succes voor een ouder wordend publiek bleef beoefenen, terwijl de aanwas van nieuwelingen goeddeels uitbleef. Tot het uitgerekend Freek de Jonge was, die voor de volgende wending zorgde.

Met zijn eerste soloprogramma De komiek, dat in 1980 in première ging, bleek de eertijdse branieschopper van Neerlands Hoop opnieuw een cabaretvernieuwer te zijn. Hij verruilde de gebruikelijke afwisseling van liedjes en praatjes voor een doorlopend verhaal met cabareteske terzijdes en een spanningsboog alsof hij een toneelvoorstelling speelde – de uitvinding van de rode draad in het cabaret. En prompt werd Freek de Jonge een lichtend voorbeeld voor velen. Zoals, om maar meteen de belangrijkste te noemen, Youp van 't Hek. Bovendien was Van 't Hek halverwege de jaren tachtig de eerste die zichzelf weer trots cabaretier noemde. Zelf begon De Jonge die eens zo vermaledijde term pas in de jaren negentig op zichzelf toe te passen.

En min of meer gelijktijdig kwam toen, vooral via het Cameretten-festival, ook een nieuwe stroming op die voorlopig – bij gebrek aan beter – als ,,melig'' werd betiteld. Aan de kwinkslagen van Brigitte Kaandorp, Herman Finkers, Hans Liberg en andere nieuwelingen viel immers niets geëngageerds te ontdekken; voor hen ging de orthodoxe definitie van cabaret als satirisch podium niet meer op. Als er maar gelachen werd. ,,Volgens een zekere definitie is een cabaretier iemand die mensen aan het denken zet over taboes die er heersen in de samenleving'', zei Finkers. ,,Voorbeeld: ik heb mijn vrouw al dikwijls aan het denken gezet over vrijwillige euthanasie. Ja, ik ben mij er eentje.''

De opkomst van zulke niet-getuigende grappenmakers had veel te maken met de economische crisis van de jaren tachtig, schreven de critici Frank Verhallen en Patrick van den Hanenberg in hun cabaretboek Het is weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat: ,,Het publiek kan niet zonder die typische Nederlandse vorm van kleinkunst, maar het moet wel cabaret zijn dat vermaakt. Als men thuiskomt van een dag hard werken of vruchteloos solliciteren, heeft men geen behoefte aan getuigende verhalen. Men wil lachen.''

En in grote trekken gaat die regel dezer dagen nog steeds op. Ook het Leids Cabaretfestival, dat in 1978 werd opgericht als geëngageerd alternatief voor de ,,platgetreden en oppervlakkige paden'' van Cameretten, heeft in de loop der jaren veel amuserend cabaret opgeleverd. Maar van groot belang was, hoe dan ook, het feit dat oprichter/organisator Harry Kies al snel een impresariaat aan zijn Leidse festival koppelde. Wie de Cameretten-finale had gewonnen, moest maar zien hoe hij in het theater terechtkwam. Wie in Leiden won, kon meteen aankloppen bij het aanpalende impresariaat.

Inmiddels wemelt het van de cabaret-impressariaten, die vooral bij de drie grootste festivals in Rotterdam (Cameretten), Leiden en Amsterdam in de rij staan om de winnaars in hun stal te kunnen opnemen. Sommige impresariaten overwegen ieders toekomstmogelijkheden en maken een zorgvuldige keuze uit het aanbod. Maar andere zijn minder kieskeurig; die trekken zo veel mogelijk beginnelingen aan en halen hun omzet uit dat grote aantal – voor iedereen zijn altijd wel een paar speelbeurten te boeken. Dat zo'n debutant nauwelijks gebaat is met maar twintig of dertig avonden per jaar, speelt geen rol.

En het komt niet alleen via de festivals: sinds Raoul Heertje een jaar of tien geleden de stand-up comedy in Nederland introduceerde, levert ook dat circuit talenten op die wel eens willen proberen iets avondvullends te maken. Het stroomt van alle kanten toe.

Zo groeit en bloeit het genre. En het wordt ook steeds veelzijder. Om een even willekeurige als onvolledige greep te doen: de blote escapades van de Bloeiende Maagden, de plezierpoëzie van Kees Torn, het slapstick-variété van de Ashton Brothers, de primal screams van André Manuel, de gespierde kolder van Rooyackers, Kamps & Kamps, het parodieëntheater van de Vliegende Panters, het autobiografische amusement van Hester Macrander, de toneelsketches van Van Houts & De Ket, of de persoonlijke zang van Mylène d'Anjou – het noemt zich allemaal cabaret.

Bovendien wordt al dat cabaret niet alleen met open armen ontvangen door de theaterdirecteuren en hun publiek, maar ook door radio en televisie. Hoe veel cabaretiers maken inmiddels elke week een columnpje voor de radio? Ze zijn niet meer te tellen. Hoe veel zijn er al gelanceerd als tv-presentator? Maar ook: hoe hoog is de omloopsnelheid? Job Schuring, Arno van der Heyden, Marcel Verreck en Tom de Ket waren lang niet de enigen, die er op de televisie geen succes van wisten te maken. Dat is de andere kant van de medaille: rijp en groen stroomt door, rijp en groen valt ook weer af. Wie niet onmiddellijk als het grootste talent van de laatste tien jaar kan worden afgeschilderd, zal al gauw merken hoe dun de spoeling wordt. Voor elke speelbeurt in elk theater staan alweer tientallen andere gegadigden klaar. Menigeen, die tot dusver net onder de top behoorlijk kon meedraaien, ziet nu zijn speellijst elk seizoen korter worden.

Het was nog nooit zo druk in het cabaret.

En hoewel de meerderheid er allerminst rijk van wordt, is het onvermijdelijk dat het genre ook gelukzoekers aantrekt. In de hoop net zo'n cabaretmiljonair te worden als het handjevol dat in zeer goeden doen is geraakt. ,,Toen ik met cabaret begon'' zei Youp van `t Hek, ,,wilde ik de wereld verbeteren. En de enige die er beter van is geworden, ben ik zelf.''