Het PMN

Het kabinet in aanbouw wil een motto hebben. Aanpakken!!! stelde de heer Bos voor. Nee, zei de heer Balkenende. Verandering voor kracht en kwaliteit! Nog niets naders over gehoord. Ze zijn er nog niet uit, denk ik.

In de Volkskrant heeft Remco Campert al gewaarschuwd. Niet doen, in vredesnaam geen motto. Ik ben het met hem eens. Ten eerste is het Nederlands al rijk genoeg aan formules waarin we anderen tot actie manen.

Handen uit de mouwen, niet lullen maar poetsen, er tegenaan, alles uit de kast, op de schop met die hele handel, ik val aan, volg mij, geen woorden maar daden, het zeegat uit, liever de lucht in, robberdebob springt erop, onderste steen boven, we gaan ze van katoen geven, mores leren, aan de slag, knal voor de kanus!

Probeert u deze reeks eens met toenemende snelheid en stemverheffing voor uzelf op te zeggen, en u begrijpt dat het na al die jaren met een motto niets meer kan worden. In de loop van de vaderlandse geschiedenis is het volk bedolven onder dit soort aanmoedigingen. De dichter Michel van der Plas heeft er een goede naam aan gegeven: de taal van de jongens van Pats en heidaar! Niet meer doen dus. En ten tweede, dat kan de heer Bos niet weten, hij is er te jong voor, maar sinds de jaren dertig is aanpakken historisch belast.

Het P&H! Nederlands is een van de subtalen die zich de laatste tientallen jaren uit het Algemeen Beschaafd hebben ontwikkeld, of zich ervan hebben afgesplitst. Wat je wilt. Deze subtalen samen vormen het praatjesmakersnederlands. Degenen die een of ander p.m.n. spreken, worden verenigd onder één noemer: ze gebruiken de woorden niet alleen, of zelfs niet omwille van hun betekenis. Ze willen hun boodschap versluieren, of zelfs een andere boodschap overbrengen dan die welke in de woorden besloten ligt.

Zoals de mottobakkers nu weer laten horen: het gaat niet om aanpakken of kracht of kwaliteit, maar om het wekken van een algemene indruk dat daar een paar titanen aan het werk zijn. Sinds het begin van het vorig jaar wordt het volk al door zijn politieke titanen beschreeuwd. Ik weet niet wat het volk denkt. Ik kan me voorstellen dat het naar de knop zoekt om de titanen af te zetten.

De tweede subtaal is het politiek Haags, van degenen die heel eerlijk zeggen dat u ze dat niet hebt horen zeggen, en dat ze, onverkort, hun verantwoordelijkheid nemen, want dat het nog een hele klus zal worden, om samen, zoals ze daar zitten, in goed overleg, de zware kar niet te kort door de bocht door één deur te trekken zonder ergens de stekker eruit te halen, omdat het landsbelang dit immers onverkort eist.

De derde subtaal: van de televisie-interviewers die denken dat ze lid zijn van de Bloedraad, en dat de ondervraagde, wat hij ook zegt, midden in welke volzin dan ook, moet worden onderbroken, met een Want! of een Dat zegt u nu wel! Zodat die arme vrouw/man in de zelfverdediging gaat, waardoor de zitting in geschreeuw eindigt.

De vierde: de subtaal van het weerbericht, waarin de vrouw/man eerst vertelt (zoals Jeroen Pauw eens heeft vastgesteld) wat voor weer het vandaag geweest is, en dan onder begeleiding van zijn/haar kamergymnastiek voor de weerkaart, in de omslachtigste zinnen een verhaaltje vertelt en eindelijk het hoge woord eruit gooit: dat het morgen gaat regenen, of dat het zonnetje zal schijnen, subs. er zonneschijn te verwachten valt.

De vijfde subtaal: van de radiopresentator, die de luisteraar niet genoeg goedenmorgen, -middag, -avond kan wensen, vertelt welke prachtige muziek `eraan komt', waarop u `getrakteerd' gaat worden, nog een hele verbale santenkraam met een stuk of tien wetenswaardigheidjes eraan toevoegt, en dan ruimte maakt voor het genot waar het om begonnen is.

De zesde: de taal van de commercials, die, wat er ook wordt aangeprezen, via welk medium dan ook, doordrenkt is van de vetste reuzel der schijnheiligheid. Ik veronderstel altijd weer dat dit contraproductief werkt; dat het publiek denkt: liever geen uitvaart dan dat ik bij dat bedrijf mijn verzekering afsluit. Het reclamevakblad Adformatie heeft van tijd tot tijd berichten over de mate van weerzin die commercials kunnen wekken. Maar ze blijven komen; en dus moet er een andere reden zijn waarom ze op het publiek worden losgelaten.

Nu we het er toch over hebben. Behalve dat het p.m.n terrein wint, is er nog een verandering in de verbale communicatie. Vooral bij vreemde woorden verschuift bij publieke sprekers de klemtoon naar de eerste lettergreep. De prófessionele uitspraak van de pólitieke redenaar in het públiek...

Wat is de oorzaak? Ik opper dat het uiteindelijk moet worden toegeschreven aan het recht van iedere Nederlander om zich hoe dan ook, te profileren. Nationaal prófileren, daar gaat het om.