Goed geld verdienen met grappen maken

Het Nederlandse cabaret is een industrie. ,,Winst maken onbelangrijk? Totale onzin. De cabaretsector is juist erg marktgericht.''

Het is vorige week vrijdagavond, een avond als zovelen, en een bezoek aan het theater is gewenst. Cabaret, daar heeft u zin in. De locatie is wat u betreft minder belangrijk, zolang het maar ergens in Zuid-Holland is. Jochem Myjer in Rotterdam lijkt u bijvoorbeeld wel wat. Maar helaas: uitverkocht. André Manuel in Den Haag, ook wel leuk. Deze voorstelling is echter ook helemaal uitverkocht. Sanne Wallis de Vries in Zoetermeer? Uitverkocht. Delft? Uitverkocht. Dan maar naar Vlaardingen.

Daar heeft de Stadsgehoorzaal nog veertig van de 674 stoelen vrij voor het Belgische duo Kommil Foo. Dat is dubbel geluk voor de liefhebber, voor de toernee van de voorstelling `Lof der waanzin' zijn nog maar beperkt kaarten beschikbaar. Het Vlaardingse publiek laat zijn tevredenheid dan ook merken door na het klinken van het slotakkoord binnen vijf seconden massaal een staande ovatie te geven.

De broers Raf en Mich Walschaerts weerspiegelen met die publiekswaardering het huidige Nederlandse cabaretklimaat. Kommil Foo onderschrijft ook de typering van `de modale cabaretartiest', zoals gegeven in een studie van het Centrum voor Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Rotterdamse Erasmus Universiteit in het Theater Instituut Nederland in 1995.

De gemiddelde cabaretier, zo schreven de onderzoekers, is man (correct), tussen 30 en 35 jaar oud (Mich wordt dit jaar 35, Raf is drie jaar ouder), heeft gestudeerd (Raf: psychologie), heeft als acteur of musicus gewerkt (Mich volgde een acteursopleiding) en heeft meegedaan aan een cabaretfestival. Dat klopt ook al, het duo poogde tweemaal het Amsterdamse Kleinkunstfestival te winnen. Hun werd te verstaan gegeven dat het beter was te stoppen.

Eén typering is onjuist: de heren wonen niet in Amsterdam, wat volgens het onderzoek gebruikelijk is. En of het brutojaarinkomen inderdaad de gemiddelde 22.700 euro bedraagt, is onbekend.

Het onderzoek uit 1995 naar de cabaretindustrie kent zijn beperkingen. Het is niet langer actueel en heeft de verregaande popularisering van de podiumkunst cabaret nog wel kunnen signaleren, maar niet bestuderen. Uit aanvullende gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) blijkt echter dat het Erasmus-onderzoek goed zat in zijn belangrijkste conclusie: het Nederlandse cabaret is een echte industrie en kan allang niet meer gezien worden als theater voor tussen-de-schuifdeuren.

Het CBS, dat de ontwikkelingen in de podiumkunst statistisch bijhoudt, heeft tot 1999 het cabaret bestudeerd. Uit de CBS-cijfers blijkt een ,,constante stijging'' van het aantal bezoekers en het aantal voorstellingen. In het seizoen 1990/1991 werden cabaretvoorstellingen 1.558.000 maal bezocht, acht jaar later was dat aantal 1.876.000. Tegelijkertijd steeg het totale aantal uitvoeringen met 31 procent naar 5.870. Volgens de VSCD bezoekt circa eenzesde van alle theaterbezoekers een cabaretvoorstelling.

Bij het aantal bezoekers van begin jaren '90, een getal dat inmiddels dus fors is gestegen, bedroeg de totale omzet van de cabaretsector tussen 8,6 en 10 miljoen euro. Daarmee was het cabaret goed voor 10 procent van de totale theateromzet, voor 20 procent van het aantal voorstellingen en voor maar liefst 50 procent van het aantal bezoekers. Volgens de Erasmus-onderzoekers was het rendement van de artiesten hoog, omdat – vergeleken met een orkest of balletgezelschap – maar weinig werknemers nodig zijn voor een voorstelling.

De professionele organisatie rondom de cabaretier is een interessant fenomeen, vindt Berend Jan Langenberg, die als oud-zakelijk leider van het Nationaal Toneel en wetenschapper in 1995 het onderzoek verrichte en de sector daarna is blijven volgen. Volgens Langenberg zijn de naaste medewerkers vaak vrienden van de cabaretier. ,,De relatie is dan dus uiterst informeel.''

Cabaretiers maken wel gebruik van een impresariaat, maar slechts voor het doen van boekingen bij de theaters. Verder zijn cabaretiers vaak zelfstandig ondernemer, zegt Langenberg. ,,De artiest loopt daarmee meer risico's, maar houdt bij succes ook meer over van de opbrengst. Zo vangt hij meer, en heeft tegelijkertijd maar weinig mensen te onderhouden. En vergis je niet: die lui die lekker draaien, verdienen zeer goed.'' Langenberg ziet hen niet meer puur als artiest, maar meer als `culturele ondernemers'. Dit in tegenstelling tot de heersende gedachte dat in de cultuursector minder economisch nagedacht wordt. ,,De kunstwereld is erg bedreven in zand in de ogen van de buitenwereld strooien, met name wanneer het om geld gaat. Winst maken zou onbelangrijk zijn? Ammehoela. De cabaretsector is juist erg marktgericht.''

Maar dat beeld valt te nuanceren, wanneer de volgens Langenberg ,,scheve inkomensverdeling'' – te groot aanbod van cabaretiers – gecombineerd wordt met de enorme belangstelling voor voorstellingen: een forse vraag van de bezoekers. Volgens de laatste cijfers van brancheorganisatie VSCD was in 2001 van de cabaretvoorstellingen 54 procent uitverkocht. Daarmee is het genre met stip koploper. Ter vergelijking: het genre toneel komt op 17 procent.

Dat grote aanbod van cabaretiers vertroebelt het toch al diffuse beeld van de branche verder, zo vindt Langenberg. ,,De sector is vergelijkbaar met topsport. Aan de top een beperkte groep, waarvan niet écht te zeggen wie op een bepaald moment de grootste is. En onder aan de ladder een grote groep cabaretiers die het niet redt.''